Eiser heeft op 17 april 2019 een aanvraag ingediend voor individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser volgens de gemeente over een vermogen beschikte dat hoger was dan de wettelijke vermogensgrens van € 6.120,-.
Eiser stelde dat het vermogen lager was door een lening van zijn moeder die hij gedeeltelijk had afgelost en dat zijn studieschuld bij DUO in mindering moest worden gebracht. Hij overhandigde een door hem en zijn moeder ondertekende brief als bewijs van de lening, maar er was geen schriftelijke leenovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het geld op zijn rekening een direct opeisbare schuld betrof. De verklaring van 12 juni 2019 toonde niet aan dat er bij ontvangst van het geld een terugbetalingsverplichting bestond. Ook de studieschuld bij DUO werd niet als negatief vermogen erkend volgens vaste rechtspraak.
De beslissing op bezwaar van 4 maart 2020, waarbij studietoeslag voor een ander collegejaar werd toegekend, bracht geen verandering in de beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.