ECLI:NL:RBAMS:2020:3570

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
13/751760-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

Op 21 juli 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Sad Okregowy w Lublinie, Polen. De zaak betreft een vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1985, was gedetineerd in Nederland en heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de vordering behandeld op zittingen op 4 juni en 7 juli 2020.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is en dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat hij niet kan aantonen dat hij gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank heeft ook het beroep van de raadsvrouw verworpen dat de detentieomstandigheden in Polen onmenselijk of vernederend zouden zijn, en heeft geoordeeld dat er geen objectieve gegevens zijn die dit onderbouwen. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan.

De rechtbank heeft de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Poolse autoriteiten toegestaan, en deze uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee andere rechters in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751760-18
RK nummer: 20/1749
Datum uitspraak: 21 juli 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 mei 2018 door de
Sad Okregowy w Lublinie(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [naam PI] te [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 4 juni 2020
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 juni 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn.
Zijn raadsvrouw, mr. H.M. Feenstra, advocaat te Amsterdam, heeft de verdediging gevoerd.
De behandeling van de vordering is aangehouden om de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen het beroep op gelijkstelling met een Nederlander te onderbouwen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting 7 juli 2020
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 juli 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H.M. Feenstra, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een tweetal vonnissen:
II K 813/12: een
enforceable judgement of the District Court in Pulawyvan 8 augustus 2012;
II K 298/09: een
enforceable judgement of the District Court in Pulawyvan 30 september 2009.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van twee jaren (vonnis 1) en één jaar (vonnis 2), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. Ten aanzien van vonnis 1 (II K 813/12) vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Ten aanzien van vonnis 2 (II K 298/09) vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar dat hij op 29 juli 2009 in persoon is opgeroepen voor die zitting, met de mededeling dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. In een brief van 29 mei 2020 van
the District Court in Pulawywordt deze informatie in het EAB als volgt toegelicht:
‘On 29th July 2009 the accused [opgeëiste persoon] collected in person from a postman the court summons concerning the date and place of the trial resulting in decision II K 298/09. It took place in the place of his residence (…). That was confirmed by his own signature on the acknowledgement of the receipt which is in the case files.’

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
II K 813/12:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,
en
II K 298/09:
oplichting.

5.Beroep op gelijkstelling met een Nederlander

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW, zodat de overlevering, ex artikel 6, tweede lid, OLW, moet worden geweigerd.
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Zij overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 6, vijfde lid, OLW wordt een opgeëiste persoon met een Nederlander gelijkgesteld als hij (onder andere) beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank wordt een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger gelijkgesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger hoeft niet te worden aangetoond met overlegging van een verblijfsdocument, maar moet worden aangenomen als wordt aangetoond dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht is voldaan. Hiervoor is vereist dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de Informatiestaat SKDB-persoon blijkt dat hij niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen op een adres in Nederland. Bovendien zijn geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De door de raadsvrouw overgelegde documenten, waaronder jaaropgaven van de opgeëiste persoon over de jaren 2015 en 2016 en de jaaropgaven van zijn vriendin over de jaren 2015, 2016 en 2019, zijn daarvoor ontoereikend.
De rechtbank verwerpt het beroep op gelijkstelling met een Nederlander.

6.Detentieomstandigheden in Polen

6.1.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar het CPT-rapport van 25 juli 2018, aangevoerd dat de detentieomstandigheden in Polen dusdanig slecht zijn dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering om die reden moet worden geweigerd. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de behandeling van de vordering moet worden aangehouden, zodat bij de Poolse autoriteiten kan worden geïnformeerd naar de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na een eventuele feitelijke overlevering terecht zal komen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Zij heeft verwezen naar een uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:2060), waarin deze rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van Poolse gevangenissen niet is gebleken van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. De overlevering kan worden toegestaan.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake
Aranyosi en Căldăraruvan
5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89, ECLI:EU:C:2016:198) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, wanneer zij bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel
4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten.
Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat en uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.
Het verweer van de raadsvrouw bevat geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan de rechtbank zou moeten oordelen dat, waar het gaat om de algemene detentieomstandigheden in Polen, sprake is van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na zijn feitelijke overlevering terecht zal komen. Het verweer wordt verworpen en het verzoek om aanhouding wordt verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 en 326 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Slotsom

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sad Okregowy w Lublinie(Polen).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J.G. Vegter, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.