De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 juli 2020 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van het binnendringen van een plaats waar personen niet waren toegelaten.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de feiten en dat de vervolging in Nederland zou moeten plaatsvinden, mede vanwege raakvlakken met Nederland en de Nederlandse nationaliteit van medeverdachten. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende concreet was en dat het verzoek voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder het specialiteitsbeginsel.
De rechtbank verwierp het onschuldverweer omdat de opgeëiste persoon zijn onschuld niet had aangetoond tijdens het verhoor. Tevens werd een garantie van het Belgische parket aanvaard dat, indien de opgeëiste persoon in België tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank wees het beroep op een weigeringsgrond wegens gedeeltelijke gepleegde feiten op Nederlands grondgebied af, mede vanwege de beperkte toetsing die de Nederlandse rechter mag toepassen.
Gelet op het voldoen aan de Overleveringswet en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.