Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:5058

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
20 oktober 2020
Zaaknummer
13/751263-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Gießen. De opgeëiste persoon, zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en een vrijheidsstraf van drie jaar opgelegd.

Tijdens meerdere zittingen werd de behandeling herhaaldelijk geschorst op verzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon, die tevens verzocht om aanhouding van de procedure vanwege een vermeende mishandeling en medische omstandigheden. De rechtbank wees deze verzoeken af wegens gebrek aan onderbouwing en omdat eerdere aanhoudingsverzoeken reeds waren ingewilligd met de mededeling dat verdere verzoeken niet worden gehonoreerd.

De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. De strafbare feiten zijn opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet en de strafmaat voldoet aan de vereisten. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en verlengde de beslistermijn conform de wet.

Tegen dit besluit staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751263-20
RK nummer: 20/1776
Datum uitspraak: 13 oktober 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2020 door het
Amtsgericht Gießen(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 april 2020. Het onderzoek is geschorst nu het verzoek hiertoe van de raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie, door de rechtbank op voorhand is ingewilligd. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn daarom ook niet verschenen.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 5 juni 2020. Het onderzoek is geschorst nu het verzoek hiertoe van de raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie, door de rechtbank op voorhand is ingewilligd. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn daarom ook niet verschenen.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 15 juli 2020. Het onderzoek is opnieuw geschorst gelet op het verzoek hiertoe van de nieuwe raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J.S. Jordan, advocaat te Den Haag. Hoewel de officier van justitie zich tegen het aanhoudingsverzoek verzette, heeft de rechtbank het verzoek op voorhand ingewilligd, waarbij aan de raadsman is meegedeeld dat verdere verzoeken om aanhouding niet zullen worden gehonoreerd. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn niet verschenen op de zitting van 15 juli 2020.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 29 september 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De niet verschenen opgeëiste persoon heeft op 29 september 2020 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord.
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J.S. Jordan, heeft ter zitting wederom verzocht om aanhouding van de behandeling. De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig kan zijn vanwege een recente mishandeling in de penitentiaire inrichting en de medische gevolgen daarvan, terwijl de opgeëiste persoon volgens de raadsman wel aanwezig wenst te zijn bij de inhoudelijke behandeling. Van deze mishandeling of de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon, zijn geen onderbouwende stukken beschikbaar. Een collega van de raadsman, mr. Kocabas, heeft de zaak besproken met de opgeëiste persoon en heeft dat teruggekoppeld aan de raadsman. De raadsman heeft meegedeeld dat hij zich (desondanks) niet gemachtigd voelt om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren. De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek.
De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen. Hierbij heeft zij in het bijzonder gewezen op de afstandsverklaring, de beslistermijnen die gelden in overleveringsprocedures, de omstandigheid dat dit het derde aanhoudingsverzoek is dat namens de opgeëiste persoon door diens raadsman is gedaan en dat de 2 eerdere zittingen op verzoek van de verdediging zijn aangehouden, het feit dat bij de vorige aanhouding is meegedeeld dat een volgend aanhoudingsverzoek niet zal worden gehonoreerd en het feit dat er geen onderbouwing is van de gestelde (medische) situatie van de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van
the Regional Court Giessenvan 20 augustus 2010 (7 KLs 503 is 31814/09).
In het op 3 april 2020 nagestuurde onderdeel D (dat in het EAB niet was ingevuld), staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op het feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Gießen(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.