Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:5060

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
20 oktober 2020
Zaaknummer
13/752198-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 350 SrArt. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Duitse verdachte ondanks beroep op familielevensrecht

De rechtbank Amsterdam heeft op 13 oktober 2020 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werd verdacht van diefstal, geweld tegen personen, vernieling en een verkeersovertreding volgens Duits recht.

De rechtbank heeft de identiteit van de verdachte vastgesteld en onderzocht of aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan, waaronder de dubbele strafbaarheid van de feiten en de terugkeergarantie dat een opgelegde straf in Nederland kan worden uitgezeten. Deze garantie werd door de Duitse autoriteiten verstrekt en door de rechtbank als voldoende beoordeeld.

De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moest worden vanwege het recht op familie- en gezinsleven, omdat de verdachte zorgt voor een meerderjarige zoon met een autistische stoornis. De rechtbank oordeelde echter dat de beperking van dit recht door de overlevering proportioneel en toegestaan is, mede gezien de tijdelijke aard van de maatregel.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering aan Duitsland toegestaan moet worden. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe ondanks het beroep op het recht op familie- en gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752198-19
RK nummer: 20/150
Datum uitspraak: 13 oktober 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 november 2019 door het
Amtsgericht Aachen(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1961,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 september 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Bevel tot voorlopige hechtenis van 9 oktober 2019, uitgevaardigd door het
Amtsgericht Düren, met kenmerk: 18 Gs 177/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij terzake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Der Leitende Oberstaatsanwalt in Aachenheeft op 16 december 2019 de volgende garantie gegeven:
Er wordt verzekerd, dat de vervolgde persoon voor het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van de Kaderbeslissing 2008/909/JL van de raad van 27.11.2008 over de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning van oordelen in strafzaken, waardoor een de vrijheid ontnemende straf of maatregel wordt opgelegd, voor het doeleinde van de executie in de Europese Unie (ambtelijk blad L 327 van 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere strafexecutie naar Nederland wordt overgebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. Aan deze voorwaarde is voldaan.
6.
Artikel 7 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: family-life
De raadsman heeft verzocht het overleveringsverzoek te toetsen aan het recht op family-life (de rechtbank begrijpt: artikel 7 van Pro het Handvest). De opgeëiste persoon heeft de zorg voor één van haar kinderen. Deze meerderjarige zoon kan zich vanwege zijn autistische stoornis alleen met behulp van de opgeëiste persoon staande houden in de maatschappij. Er is sprake van een zorgovereenkomst en van een persoonsgebonden budget. Het is daarom van groot belang dat de opgeëiste persoon niet vast komt te zitten, aldus de raadsman. De raadsman meent dat de overlevering moet worden geweigerd wegens deze persoonlijke omstandigheden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52 lid 1 Handvest Pro, een toegestane beperking is van de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Gelet op de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, voorts niet onevenredig. Ook als de door de opgeëiste persoon gestelde specifieke persoonlijke belangen van haar en haar zoon daarbij in aanmerking worden genomen, blijkt niet van een zodanige inbreuk op het privé- en familie- en gezinsleven dat de overlevering niet gerechtvaardigd is wegens de onevenredigheid van de beperking. De beperking in de uitoefening van het recht op “family-life” levert daarom geen beletsel op voor overlevering.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 312 en 350 Wetboek van Strafrecht, 7 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Aachen, Duitsland.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.