ECLI:NL:RBAMS:2020:5238

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
13/752186-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OverleveringswetArt. 4 Handvest van de Europese UnieArt. 5 OverleveringswetArt. 7 OverleveringswetArt. 22 Overleveringswet
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks zorgen over detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de procureur van de Republiek bij de Arrondissementsrechtbank van Lyon. De procedure omvatte meerdere zittingen, waaronder een verhoor via telehoren, en een tussenuitspraak waarin de identiteit, strafbaarheid en inhoud van het EAB werden vastgesteld.

Er bestond een reëel gevaar dat gedetineerden in bepaalde Franse gevangenissen (Nîmes, Bordeaux-Gradignan, Fresnes) onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals vastgesteld in eerdere uitspraken en bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De verdediging voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd vanwege het risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest, mede gebaseerd op recente CPT-rapporten en onrust in Franse detentiecentra.

De Franse autoriteiten gaven echter garanties dat de opgeëiste persoon niet in genoemde risicogevangenissen zou worden geplaatst. De rechtbank achtte deze garanties voldoende om het algemene reële gevaar weg te nemen. Het CPT-rapport betrof voornamelijk vreemdelingendetentie en was daarom niet relevant voor deze zaak. De rechtbank zag geen noodzaak om de zaak aan te houden voor toekomstige rapporten.

Gelet op het voldoen aan de eisen van de Overleveringswet en het ontbreken van andere weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe onder de gegeven garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752186-19
RK nummer: 20/43
Datum uitspraak: 18 juni 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2019 door
de Procureur van de Republiek bij de Arrondissementsrechtbank van Lyon(Frankrijk) en het EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (voormalige Sovjet-Unie thans Georgië) op [geboortedag] 1990
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in [detentieplaats]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 februari 2020. Het verhoor heeft toen plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Ede en door een tolk in de Georgische taal.
Bij tussenuitspraak van 21 februari 2020 is de behandeling van de vordering heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst teneinde aan de Franse autoriteit te vragen of de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de detentie-instelling te [plaats] .
Bij e-mail van 7 mei 2020 heeft de de uitvaardigende justitiële autoriteit de garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet zal worden geplaatst in de detentie-instelling(en) te [plaats] .
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Ede, heeft per e-mail van 27 mei 2020 zijn schriftelijk standpunt ingediend. De officier van justitie heeft op 1 juni 2020 haar standpunt per e-mail ingediend.
Ter zitting van 4 juni 2020 is de behandeling van de vordering hervat. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Georgische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Tussenuitspraak van 21 februari 2020

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 21 februari 2020 waarin zij de identiteit van de opgeëiste persoon heeft vastgesteld, de grondslag en inhoud van het EAB heeft beoordeeld, alsmede de strafbaarheid van de feiten. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

3.Detentieomstandigheden

3.1.
Tussenuitspraak
De rechtbank heeft in deze zaak in de tussenuitspraak van 21 februari 2020 ECLI:NL:RBAMS:2020:1102) het volgende overwogen, zakelijk weergegeven.
- Allereerst is het toetsingskader van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake
Aranyosi en Căldăraruvan 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89, ECLI:EU:C:2016:198) uiteengezet.
- Vervolgens is vastgesteld dat in eerdere uitspraken van de rechtbank is geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest, zie ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6648.
- Ten aanzien van de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat er nadere gegevens van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden, zie ECLI:NL:RBAMS:2019:655.
- De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 19 december 2019 in deze zaak de garantie gegeven dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in de strafinstellingen van Nîmes en Bordeaux-Gradignan.
- De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de uitspraak van het EHRM van 30 januari 2020 (
J.M.B. e.a./Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115). De rechtbank oordeelt in haar tussenuitspraak dat hieruit volgt dat ook ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld.
3.2.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd nu er een concrete en gerechtvaardigde vrees bestaat dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Frankrijk onmenselijk of vernederend zal worden behandeld in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Daar doet niet aan af dat de Franse autoriteit gegarandeerd heeft dat de opgeëiste persoon niet gedetineerd zal raken in de detentie-instellingen te Fresnes, Nîmes of Bordeaux Gradignan.
Op 24 maart 2020 heeft het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (“CPT”) namelijk een rapport gepubliceerd waaruit kan worden opgemaakt dat er meerdere detentie-instellingen in Frankrijk zijn waar een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Daar komt bij dat uit de media blijkt dat er op 22 maart 2020 rellen zijn uitgebroken in het detentiecentrum te d'Uzerche (Corrèze) en op 24 maart 2020 in de gevangenis van Tarascon.
Ten slotte heeft het CPT in de periode van 4 tot en met 18 december 2019 een bezoek gebracht aan diverse Franse detentie-instellingen en moet het rapport nog worden gepubliceerd.
De rechtbank zou de beslissing moeten aanhouden tot de inhoud daarvan bekend is.
3.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat nu de opgeëiste persoon niet in de detente-instellingen van Nîmes, Bordeaux-Gradignan en Fresnes zal worden geplaatst, er geen sprake zal zijn van een risico op schending van artikel 4 Handvest Pro. Het CPT-rapport van 24 maart 2020 waar de raadsman naar verwijst ziet op instellingen en centra waar personen gedetineerd zijn die in vreemdelingendetentie zijn geplaatst en is naar het oordeel van het OM daarom niet van belang in de onderhavige overleveringszaak. Nadien zijn er geen berichten meer van rellen geweest en er is geen sprake van recente informatie op grond waarvan een risico op schending van artikel 4 Handvest Pro kan worden aangenomen.
3.4.
Oordeel van de rechtbank
Bij e-mail van 7 mei 2020 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet zal worden geplaatst in de detentie-instelling(en) te Fresnes. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het eerder vastgestelde algemene reële gevaar, dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, voor de opgeëiste persoon weggenomen.
Het door de raadsman aangehaalde CPT-rapport van 24 maart 2020 maakt dit niet anders nu dit rapport met name ziet op detentie-instellingen waar vreemdelingen verblijven.
De overige door de verdediging geuite zorgen geven, gelet op het toetsingskader in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake
Aranyosi en Căldăraru, geen aanleiding tot een ander oordeel.
Ten slotte ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om toekomstige rapporten af te wachten voordat zij een beslissing kan nemen.
De rechtbank verwerpt het verweer en zal de overlevering van de opgeëiste persoon toestaan.

4.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

6.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
de Procureur van de Republiek bij de Arrondissementsrechtbankvan Lyon (Frankrijk).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. C. Huizing-Bruil en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juni 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.