De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 november 2020 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De verdachte werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, een feit dat volgens het EAB strafbaar is onder Belgisch recht met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar.
De identiteit van de opgeëiste persoon werd vastgesteld en zijn Nederlandse nationaliteit bevestigd. De rechtbank onderzocht de dubbele strafbaarheid en stelde vast dat het feit ook onder Nederlands recht strafbaar is als diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Het onschuldverweer van de verdediging werd verworpen omdat de verdachte zijn onschuld niet tijdens het verhoor kon aantonen.
Belangrijk was de garantie van het Belgische parket dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende en concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.