ECLI:NL:RBAMS:2020:894

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2020
Publicatiedatum
14 februari 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3303
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 2 Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging van besluit over middeling loon bij WAO-uitkering

Eiseres ontving een WAO-uitkering en werkte daarnaast. Verweerder stelde vast dat zij over een bepaalde periode meer had verdiend dan haar maatmaninkomen, waardoor zij geen recht meer had op de uitkering en het teveel ontvangen bedrag moest terugbetalen. Verweerder had het loon over die periode gemiddeld, inclusief eenmalige IKB-uitbetalingen en achterstallig loon. Eiseres betwistte deze middeling omdat daarvoor geen wettelijke grondslag zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat artikel 44, tweede lid, van de WAO dwingendrechtelijk is en dat verweerder niet mag afwijken van de hoofdregel dat loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever de loonopgave heeft gedaan. De uitzonderingsbepaling in artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop geldt alleen voor vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, niet voor IKB-elementen of achterstallig loon. Verweerder had onvoldoende onderzoek gedaan naar de samenstelling van het loon.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit tot middeling van loon is vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/3303

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: […] ),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: A.J. Kniesmeijer).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres laten weten dat zij over de periode 1 december 2017 tot en met 30 november 2018 een bedrag van € 4.924,90 bruto te veel voorschot heeft ontvangen op haar uitkering op basis van de Wet arbeidsongeschiktheid (WAO). Dit moet zij terugbetalen. Ook stopt het voorschot op haar uitkering per 1 januari 2019.
Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Juridisch kader
1. In artikel 44, tweede lid, van de WAO, zoals dat luidde op 1 december 2017, is bepaald dat indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht, het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Op grond van artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (Regeling samenloop) kan bij de vaststelling van het loon, als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WAO, het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag (VT) en dertiende maand (extra periodiek salaris (EPS)) in aanmerking worden genomen in plaats van het in de relevante aangiftetijdvakken betaalde bedrag aan VT en EPS.
Wat voorafging aan deze procedure
3. Eiseres ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering. Per 2013 is haar mate van arbeidsongeschiktheid 15-25%. Zij werkt naast haar uitkering.
4. Verweerder heeft in december 2018 het definitieve inkomen van eiseres over de periode 1 december 2017 tot en met 30 november 2018 berekend. Verweerder concludeert dat zij meer heeft verdiend dan haar maatmaninkomen. Door dit hogere loon valt eiseres in de arbeidsongeschiktheidsklasse 0-15%. Hierdoor heeft zij geen recht op een WAO-uitkering en moet zij het uitbetaalde bedrag aan uitkering terugbetalen.
Standpunt van partijen
5. Eiseres voert aan dat verweerder onterecht het gemiddeld genoten maandsalaris over die periode heeft berekend. De wettelijke grondslag om te middelen ontbreekt, aldus eiseres. Zij verklaart dat de oorzaak van haar hogere inkomen komt door een eenmalige uitbetaling van een salarisverhoging met terugwerkende kracht vanaf 2016 twee uitbetalingen vanuit haar individueel keuzebudget (IKB).
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht is uitgegaan van het gemiddelde genoten inkomen in de periode van 1 december 2017 tot en met 30 november 2018. Verweerder stelt daarbij dat de hoofdregel uit artikel 44 van Pro de WAO dat het inkomen per tijdvak wordt genoten (enige) ruimte laat om af te wijken en wijst ook op de uitzonderingsbepaling van artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop. Verweerder heeft toegelicht dat de gegevens uit de loonaangifte in zijn polisadministratie terechtkomen en gebruikt worden voor de vaststelling van de uitkering. Werkgevers zijn in beginsel verplicht om bij de loonaangifte opgave te doen van de opgebouwde en uitbetaalde rechten. Werkgevers die een IKB hanteren doen doorgaans echter geen opgave aan verweerder van de opgebouwde en uitbetaalde rechten. Daardoor is het voor verweerder niet meer inzichtelijk uit welke componenten het uitbetaalde bedrag is opgebouwd, waardoor verweerder hier ook niet bij de vaststelling van de uitkering rekening mee kan houden.
Vasthouden aan de reguliere werkwijze zou betekenen dat verweerder alsnog bij iedere eindafrekening alle loonstroken moet opvragen en analyseren. Dit wordt niet gewenst geacht, omdat het indruist tegen de automatiseringsslag die de afgelopen jaren door het Uwv is gemaakt, in lijn met de door de regering gewenste vereenvoudiging van de uitvoering waarbij het Uwv uitgaat van de polisgegevens. In afwachting van een nadere, wettelijke regeling hanteert verweerder daarom de gedragslijn dat bij de definitieve afrekening alle in een tijdvak uitbetaalde bedragen (ongeacht waar dit uit zou bestaan) beschouwt als inkomsten en deze middelt over het gehele jaar. Verweerder erkent dat de middeling in sommige gevallen, waaronder mogelijk ook dit geval, ongunstig uitpakt voor de uitkeringsgerechtigde.
Oordeel van de rechtbank
7. Vaststaat dat eiseres in de periode 1 december 2017 tot en met 30 november 2018 (sterk) wisselende bedragen van haar werkgever ontving. Niet is in geschil dat de aan eiseres door haar werkgever uitbetaalde bedragen loon, als bedoeld in artikel 44 van Pro de WAO, betreft. In geschil is of verweerder artikel 44 van Pro de WAO op een juiste wijze heeft toegepast door de uitgekeerde bedragen over één jaar te middelen.
8. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 12 juni 2019 volgt dat verweerder, tenzij dat wettelijk is bepaald, geen ruimte heeft om van artikel 44, tweede lid, van de WAO af te wijken. [1] De inhoud van de uitspraak waar verweerder naar heeft verwezen, van de Raad van 15 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO7519) acht de rechtbank voor deze zaak niet maatgevend, omdat die uitspraak gaat over een eerdere redactie van artikel 44 van Pro de WAO.
9. De rechtbank ziet in dit geval niet in dat verweerder heeft kunnen afwijken van deze dwingendrechtelijke bepaling. Verweerders verwijzing op de zitting naar de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 30 december 2019 [2] kan hem niet baten. In die zaak heeft de rechtbank rechtmatig geacht dat het uitbetaalde inkomen werd gemiddeld, ondanks dat dat voor de uitkeringsgerechtigde ongunstig was. Daarbij stond echter wel vast dat de uitbetalingen die het maandelijkse SV-loon overstegen, uitsluitend te herleiden waren tot vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering. Dit zijn loonelementen waarvan de wetgever bedoeld heeft dat ze kunnen worden gemiddeld. Mede daarom vond de rechtbank de middeling acceptabel, naar analogie van de uitzonderingsbepaling van artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop. In dit geval is echter onduidelijk uit welke componenten het uitbetaalde loon bestaat. Verweerder heeft dit niet nader willen onderzoeken, maar onderkent wel dat de IKB-uitbetalingen kunnen zien op nog andere IKB-elementen dan vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. Van die mogelijk andere elementen kan de rechtbank niet beoordelen of de wetgever bedoeld heeft ze te kunnen middelen. Verder betwist verweerder niet dat eenmalig achterstallig loon is uitbetaald. Ook die uitbetaling heeft verweerder gemiddeld. Achterstallig loon is echter geen loon dat onder de werking van artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop kan vallen [3] . Een analoge toepassing van die bepaling is voor dit loonelement daarmee eveneens uitgesloten.
10. Het feit dat verweerder in de polisadministratie niet kan inzien waaruit het loon van eiseres bestaat, rechtvaardigt in dit geval niet dat verweerder dat niet uitzoekt. Niet valt in te zien dat verweerder niet aan de hand van bij eiseres op te vragen informatie uit haar salarisadministratie, zoals loonstroken, de diverse componenten van haar loon had kunnen bepalen.
Conclusie
11. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder onterecht het inkomen van eiseres gemiddeld heeft over de periode van 1 december 2017 tot en met 30 november 2018. Daarvoor is in dit geval geen wettelijk grondslag. Verweerder heeft een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO.
12. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 47,- aan haar te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.575.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2020.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1989.
2.Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 december 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10820.
3.De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.2.2. van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1989.