De zaak betreft een beroep van een bedrijf tegen een legesaanslag opgelegd door de gemeente Amsterdam voor de behandeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor een nieuwbouwcomplex met woon- en werkruimtes.
De heffingsambtenaar had een voorlopige legesaanslag opgelegd op basis van de gemeentelijke Legesverordening, waarbij de bouwsom als grondslag werd genomen. Na bezwaar werd de aanslag iets verlaagd vanwege een legesvrijstelling voor zonnepanelen.
Het bedrijf stelde dat de leges ten onrechte als een zuivere belasting waren vormgegeven, terwijl het volgens hen een retributie moest zijn die in verhouding staat tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. De rechtbank overwoog dat leges in dit geval een vergoeding zijn voor een individuele dienst, namelijk de behandeling van de vergunningaanvraag, en dus een retributie vormen.
Verder oordeelde de rechtbank dat het tarief van circa 3,2% van de bouwsom niet onredelijk of willekeurig is en binnen de beleidsvrijheid van de gemeente valt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.