AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen korting AOW-uitkering wegens niet-verzekerde periode
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om zijn AOW-uitkering vanaf 1 november 2019 toe te kennen voor slechts 50% van het maximale bedrag. De korting is gebaseerd op een niet-verzekerde periode van afgerond 25 jaar, met name de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2019.
De rechtbank stelt vast dat eiser sinds zijn vertrek uit Nederland in 1998 en met ingang van 10 maart 2006 niet langer verplicht verzekerd was voor de AOW op grond van het Koninklijk Besluit 746. De wet- en regelgeving laat geen ruimte voor afwijking en er is geen bewijs dat eiser zich vrijwillig heeft verzekerd. De Svb is niet verplicht om eiser vooraf te informeren over de gevolgen van zijn vertrek naar het buitenland.
Eiser verzocht tevens toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 24 KBPro 746, maar de rechtbank volgt de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat deze clausule niet toepasbaar is op de hoofdregels van de AOW-verzekering. De rechtbank concludeert dat de Svb terecht de niet-verzekerde periode buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van de AOW-uitkering en wijst het beroep af.
Er wordt geen schadevergoeding toegekend en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de korting op zijn AOW-uitkering wegens niet-verzekering is ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/4556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: Svb)
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Met het besluit van 16 maart 2020 (het primaire besluit) heeft de Svb de aanvraag van [eiser] om een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) per 1 november 2019 toegewezen voor 50% van het maximale uitkeringsbedrag.
Met het besluit van 9 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op een zitting van 4 maart 2021. [eiser] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. [eiser] , geboren op [geboortedatum] te Marokko, ontving vanaf 15 november 1944 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hij is op 17 juni 1998 met behoud van zijn WAO-uitkering naar Spanje vertrokken. Op
17 januari 2020 heeft [eiser] een pensioen op grond van de AOW aangevraagd.
2. De Svb heeft een korting van 50% toegepast op het maximale AOW-uitkeringsbedrag vanwege afgerond 25 niet-verzekerde jaren. Het gaat om de volgende niet verzekerde perioden:
1 november 1969 tot en met 8 maart 1975;
18 oktober 1988 tot en met 8 november 1988 en;
1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2019.
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Ter zitting is naar voren gekomen dat alleen de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2019 ter discussie staat. Hiertegen voert [eiser] aan dat hij onterecht geen recht voor de AOW heeft opgebouwd en dat de Svb hem had moeten informeren over de mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren.
5. De rechtbank stelt vast dat [eiser] na zijn vertrek uit Nederland vanaf 10 maart 2006 niet langer verplicht verzekerd was voor de AOW op grond van het KB 746 . Het KB 746 kent sinds 1 januari 2000 niet langer een uitbreiding die verzekering voor de AOW mogelijk maakt op grond van het recht op een WAO-uitkering. De bepalingen van de AOW zijn dwingendrechtelijk van aard en de Svb is niet bevoegd daarvan af te wijken. [1] Verder is niet gebleken dat [eiser] zich vrijwillig had verzekerd voor de AOW. Anders dan [eiser] heeft betoogd, rust op de Svb niet de verplichting uit eigen beweging de betrokkene die al dan niet met behoud van een Nederlandse uitkering naar het buitenland vertrekt op de mogelijke gevolgen voor de opbouw van de AOW-verzekering te wijzen. Het is primair de verantwoordelijkheid van [eiser] om voor zijn vertrek uit Nederland daar onderzoek naar te doen en zich eventueel tot de Svb te wenden.
6. [eiser] heeft de rechtbank ter zitting verzocht om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 24 vanPro het KB 746 toe te passen. De Svb heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) [2] . De Raad overweegt in deze uitspraak namelijk dat artikel 24 vanPro KB 746 aan de Svb de bevoegdheid geeft in gevallen van kennelijke hardheid af te wijken van de in KB 746 gestelde regels met betrekking tot uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden volksverzekeringen. Deze bevoegdheid geldt niet om af te wijken van de hoofdregels van de wet waarin het gaat om de verzekering zoals in deze procedure. Uit deze uitspraak volgt dus dat de hardheidsclausule in artikel 24 buitenPro de omvang van dit geding valt. Het bestreden besluit heeft namelijk geen betrekking op dit verzoek, zodat in deze procedure geen oordeel omtrent de eventuele toepassing van de hardheidsclausule kan worden gegeven.
7. De rechtbank concludeert dat de Svb 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2019 terecht buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van de hoogte van de AOW-uitkering.
8. Gelet op het bovenstaande bestaat geen grond voor toekenning van een schadevergoeding.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt geen gelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Bosma, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijlage met relevante wet- en regelgeving
In artikel 2 vanPro de Algemene Ouderdomswet (AOW) is bepaald dat ingezetene in de zin van de wet degene is die in Nederland woont.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Op grond van het derde lid van artikel 6 vanPro de AOW, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. Hieraan is uitvoering gegeven bij de opeenvolgende Koninklijke Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, te weten Stb. 1976, 557 ( KB 557 ), Stb. 1989, 164 ( KB 164 ) en Stb. 1998, 746 ( KB 746 ).
In artikel 13, eerste lid aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9 eenPro korting wordt toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd doch voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest.