4.3.1. ((Ver)koop [hotel 2] en de geldtransacties
Op 20 april 2010 koopt [rechtspersoon hotel 2] de exploitatie van [hotel 2] aan [adres 2] van [familie 1 hotel B.V. 1] voor een verkoopprijs van € 2.800.000,-, Hiervan moet € 1.500.000,- direct betaald zijn, € 500.000,- uiterlijk op 1 juli 2010 en voor de resterende € 800.000,- wordt door de koper van [rechtspersoon hotel 2] een lening afgesloten bij de verkoper [familie 1 hotel B.V. 1]
[rechtspersoon hotel 2] is op 1 april 2010 opgericht en kent als vennoten [vennoot 1] , [vennoot 2] en [vennoot 3] . Bestuurder en enig aandeelhouder van [familie 1 hotel B.V. 1] is [familie 1 holding] , waarvan [zoon 1 familie 1] , [zoon 2 familie 1] en [dochter familie 1] de middellijke aandeelhouders zijn.
Vanaf de bankrekening van [vennoot 2] is tussen 25 december 2009 en 5 augustus 2010 in 13 betalingen in totaal € 1.320.000,- betaald aan [familie 1 hotel B.V. 1] , onder vermelding van ‘voorschot aankoop hotel’ of ‘aflossing [hotel 2] ’. Daarnaast is vanaf april 2010 in vijf betalingen vanaf de bankrekening van [vennoot 2] in totaal € 420.000,- aan de Rabobank betaald onder vermelding van ‘aflossing [hotel 2] ’. [vennoot 2] ontving in de periode van 7 december 2009 en 5 augustus 2010 61 betalingen vanuit China via [bedrijf 3] , telkens € 20.000,- (waarvan na aftrek van ‘handlingskosten’ € 19.980,- overbleef). In totaal betrof het iets meer dan € 1.200.000,-.
Ook ontvangt [vennoot 2] drie betalingen vanaf de bankrekening van [bedrijf 2] . Op 2 maart 2010 ontvangt [vennoot 2] € 49.980,50 (‘loan’), waarna op 3 maart 2010 € 50.000,- wordt overgemaakt naar [hotel 2] (‘voorschot aankoop hotel’). Op 17 maart 2010 ontvangt [vennoot 2] € 100.000,- (‘payments for goods loan’), waarna op 24 maart 2010 € 100.000,- wordt overgemaakt naar [hotel 2] (‘voorschot aankoop hotel’). Op 6 april 2010 ontvangt [vennoot 2] nog € 44.411,64 (‘loan’) van [bedrijf 2] . Op 7 en 13 april 2010 wordt ook nog drie keer € 19.980,- ontvangen via [bedrijf 3] waarna op 18 april 2010 € 100.000,- aan de Rabobank wordt betaald (‘aflossing [hotel 2] ’).
[bedrijf 2] was het bedrijf van [verdachte] en haar broer [broer verdachte] .
Voorafgaand aan de overboekingen van [bedrijf 2] naar [vennoot 2] op 2 maart 2010 en 17 maart 2010 is te zien dat vanaf Nederlandse bankrekeningen ( [rekeningnummer] en [rekeningnummer] ) geld wordt overgemaakt naar [bedrijf 2] .
Op 16 februari 2010 wordt op de bankrekening van [bedrijf 4] € 10.000,- contant gestort. Op 17 februari 2010 wordt vanaf de bankrekening van [bedrijf 4] € 12.852,- overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] . Op 22 februari 2010 wordt op rekening [rekeningnummer] € 25.000,- ontvangen van [bedrijf 5] Hiervan wordt op 4 maart 2010 € 10.000,- overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] . Op diezelfde dag wordt er € 18.150,- contant gestort op rekening [rekeningnummer] en op 5 maart 2010 wordt nog een bedrag van € 11.900,- ontvangen van [bedrijf 4] . In totaal wordt er op [rekeningnummer] tussen 17 februari 2010 en 5 maart 2010 € 52.902,- ontvangen, waarvan € 28.150,- terug te leiden is tot contante stortingen, € 14.752,- tot [bedrijf 4] en € 10.000,- tot [bedrijf 5]
Op 9 maart 2010 wordt vanaf rekening [rekeningnummer] € 50.000,- onder vermelding van ‘factuur’ overgemaakt naar [bedrijf 2] . Ook op 9 maart 2010 wordt op rekening [rekeningnummer] € 50.000,- ontvangen van [bedrijf 5] en vervolgens wordt zonder nadere omschrijving vanaf [rekeningnummer] € 50.000,- doorgeboekt naar [bedrijf 2] . Vervolgens wordt op 17 maart 2010 € 100.000,- door [bedrijf 2] overgemaakt aan [vennoot 2] .
Eerder, op 26 februari 2010, worden op rekenging [rekeningnummer] vier contante geldbedragen gestort van in totaal € 50.000,- en vervolgens wordt van deze rekening zonder nadere omschrijving € 50.000,- overgemaakt naar [bedrijf 2] . Vier dagen later, op 2 maart 2010, wordt vanaf de rekening van [bedrijf 2] bijna € 50.000,- overgemaakt naar [vennoot 2] .
In totaal wordt voorafgaand aan de betalingen van [bedrijf 2] aan [vennoot 2] van 2 en 17 maart 2010 € 150.000,- vanaf [rekeningnummer] en [rekeningnummer] overgemaakt aan [bedrijf 2] , waarvan € 78.150,- terug te voeren is op contante stortingen. Gelet op de steeds korte periode tussen de bij- en afschrijvingen op de rekening van [bedrijf 2] staat voor de rechtbank vast dat het geld dat van [rekeningnummer] en [rekeningnummer] is ontvangen, gebruikt is om [vennoot 2] de aankoop van [hotel 2] te laten financieren.
4.3.2.Is de (ver)koop van [hotel 2] een schijnconstructie?
De rechtbank vindt dat de (ver)koop van [hotel 2] aangemerkt moet worden als een schijnconstructie. Daarvoor is het volgende van belang.
De Rabobank heeft op 1 februari 2010 formeel aan de [familie 1 holding] laten weten aan te dringen op het afbouwen van de schuld aan de Rabobank door tussentijdse verkoop van exploitaties of onroerend goed van banken. Reden is dat bij [familie 1 holding] sprake is van liquiditeitsproblemen. Daarbij wordt verwezen naar plannen om onder meer [hotel 2] te verkopen voor 2,8 miljoen euro, waarbij de integrale verkoopopbrengst in mindering wordt gebracht op de uitstaande leningen van de [familie 1 holding] . Ook wordt opgemerkt dat die plannen nog geen grote impact hebben op het verlagen van de schuld aan de Rabobank.
Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk te noemen dat de kopers voor € 800.000,- (29% van de aankoopsom) een lening kunnen aangaan bij de verkopers. Het doel van de verkoop was immers – in opdracht van de bank – te komen tot aflossing van de bankschuld en daarvoor was de verkoopprijs van € 2.800.000,- nog onvoldoende.
De kopers verklaren over het kopen van [hotel 2] het volgende. [vennoot 1] verklaarde in 2014 dat hij van ongeveer € 1.000,- per maand rondkomt. Over [hotel 2] verklaarde hij dat [vennoot 2] het financiële gedeelte regelde. [vennoot 1] kocht [hotel 2] omdat het een goede investering was, maar in eerste instantie wilde hij niet, omdat hij niet zoveel financiële middelen had. [vennoot 3] verklaarde dat zij het hotel heeft gekocht als investering. Zij was benieuwd hoe een hotel werkt en [vennoot 2] zei dat het kon. Ze weet niet hoe de € 2.000.000,- is betaald die niet van [zoon 1 familie 1] is geleend. [vennoot 3] verklaarde in 2014 niet over een spaarrekening of vermogen te beschikken en verklaarde dat er op haar privé banktegoeden niet veel staat.
Over [vennoot 2] bevat het dossier inkomensgegevens over de jaren voor de aankoop van [hotel 2] (2007-2009). In die jaren heeft hij jaarinkomens van € 18.659,- tot € 27.392,-. [vennoot 2] verklaarde dat zij het hotel gekocht hebben omdat het een goede investering is. Een hotel is stabiel en makkelijk werken. [vennoot 2] bleef ook in de cafetaria werken waar hij voor de aanschaf van [hotel 2] werkte, omdat hij hard moest werken om leningen af te lossen.
Tot slot blijkt nog dat een deel van de aankoopsom voor [hotel 2] door de kopers wordt geleend via het buitenlandse [bedrijf 2] . Een geldbedrag dat voor een groot deel is terug te voeren op Nederlandse bankrekeningen die door [zoon 2 familie 1] , een van de indirect aandeelhouders van de verkopende vennootschap, worden beheerd. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat [zoon 2 familie 1] die bankrekeningen heeft gebruikt om op grote schaal crimineel geld wit te wassen.
Dat inderdaad sprake is van een schijnconstructie wordt nog onderstreept door het volgende. [vennoot 1] heeft op verzoek van [vennoot 2] de leenovereenkomsten voor het verkrijgen van de financiering van de aankoop van [hotel 2] aan het onderzoeksteam overgelegd. Een van deze leenovereenkomsten betreft een lening tussen [broer verdachte] en [vennoot 2] voor € 200.000,- voor de aankoop van [hotel 2] . De lening heeft een looptijd van 10 jaar, vanaf 1 december 2009. In de periode van 1 januari 2009 tot 2 september 2010 heeft [vennoot 2] geen geld op zijn bankrekening ontvangen van [broer verdachte] en dus ook niet deze lening van € 200.000,-. Wel zijn in deze periode de hiervoor beschreven bedragen vanaf de bankrekening van [bedrijf 2] , het bedrijf van [broer verdachte] , aan [vennoot 2] overgeboekt.
[broer verdachte] is als getuige gevraagd naar de in dit zaaksdossier relevante transacties, maar daarover kan en/of wil hij vrijwel niets zeggen. [vennoot 2] verklaart dat hij een lening heeft afgesloten met [bedrijf 2] , omdat er geld via [bedrijf 2] liep. Dit was geld van [familie van vennoot 2] . [familie van vennoot 2] had daarnaast ook zelf geld overgemaakt, in bedragen van € 20.000,-.
Samenvattend is het beeld dat de [familienaam 1] op aandringen van de Rabobank hotels van de hand moest doen om te komen tot aflossing van bankleningen en dat de exploitatie van het [hotel 2] vervolgens wordt verkocht aan een vof zonder financiële middelen en zonder kennis van de hotelbranche, terwijl de vennoten voor ongeveer 29% de aankoopsom lenen van verkopers. Het risico dat deze forse lening niet afgelost zou worden is – als sprake is van een reguliere transactie – reëel. Daar komt bij dat ook een andere lening, de lening via [bedrijf 2] , door schimmigheid is omgeven en de uiteindelijke herkomst eveneens terug te voeren is op bankrekeningen die bij één van de verkopers in beheer zijn. Tot slot hebben [zoon 2 familie 1] en de andere betrokkenen voor deze opmerkelijke gang van zaken geen redelijke verklaring kunnen of willen geven.
Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de verkoop van de exploitatie van [hotel 2] van [familie 1 hotel B.V. 1] aan [rechtspersoon hotel 2] een schijnverkoop betreft, blijkbaar bedoeld om schuldeiser Rabobank tevreden te houden, zonder dat sprake was van een daadwerkelijke verkoop van [hotel 2] .
4.3.3.Betrokkenheid [verdachte]
De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] als (mede)pleger betrokken is geweest bij het (schuld)witwassen van het geldbedrag van € 194.392,14 en de rechtbank zal [verdachte] daarom van feit 1 vrijspreken. Daarvoor is het volgende van belang.
[verdachte] ontkent dat zij voorafgaand aan of tijdens de transacties hiervan op de hoogte is geweest en zij ontkent ook dat zij feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij de transacties. [verdachte] erkent wel dat zij – meer algemeen – via internetbankieren toegang had tot de bankrekeningen van [bedrijf 2] .
Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit specifieke betrokkenheid blijkt bij de transacties in maart/april 2010. De wel beschikbare bewijsmiddelen die betrokkenheid van [verdachte] bij de bankrekening van [bedrijf 2] (ver) voor of (ver) na maart/april 2010 aantonen, zijn niet redengevend voor het bewijs dat [verdachte] bij de ten laste gelegde transacties betrokken is geweest. Het dossier bevat ook geen bewijs over de aard en omvang van het internetbankieren door [verdachte] , anders dan wat zij daarover zelf heeft verklaard, namelijk dat zij nauwelijks op de rekening keek en alleen als zij daar aanleiding voor had.
Tegen deze achtergrond is ook van belang dat de ten laste gelegde geldbedragen in twee korte periodes op de rekening van [bedrijf 2] hebben gestaan en dat die periodes ook relatief dicht op elkaar zaten. Het gaat om de periode van 26 februari 2010 tot 2 maart 2010 en de periode van 9 maart 2010 tot 17 maart 2010. Niet vastgesteld kan worden dat [verdachte] in de periode van 26 februari 2010 tot 17 maart 2010 feitelijk toegang heeft gehad tot de bankrekening van [bedrijf 2] . Tegen deze achtergrond kan de rechtbank niet vaststellen dat [verdachte] wetenschap heeft gehad of zich bewust was dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 2] hebben gestaan.
In de zaak van medeverdachte [zoon 2 familie 1] , met wie [verdachte] in de bewuste periode een relatie had, komt de rechtbank tot het oordeel dat [zoon 2 familie 1] een deel van het geld heeft witgewassen, waarbij de rechtbank onder meer van belang vindt dat het geld afkomstig is van zogenaamde witwasrekeningen die bij [zoon 2 familie 1] in beheer waren en dat de (ver)koop van [hotel 2] een schijnverkoop betreft waarvan [zoon 2 familie 1] profiteert, omdat hij op papier een van de verkopers is.
De rechtbank vindt het een reële mogelijkheid dat [verdachte] [zoon 2 familie 1] in staat heeft gesteld om via internetbankieren toegang te krijgen tot de bankrekening van [bedrijf 2] . De rechtbank kan echter niet vaststellen dat een dergelijke toegang is verstrekt met het oog op de transacties waarop de tenlastelegging ziet. Het in het algemeen toegang verschaffen aan [zoon 2 familie 1] tot de bankrekening van [bedrijf 2] levert zonder aanvullende omstandigheden in elk geval geen (mede)plegen op van (schuld)witwassen van de specifiek in de tenlastelegging genoemde bedragen.