Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:4023

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
2 augustus 2021
Zaaknummer
13/751402-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 HandvestArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 juli 2021 een vordering tot overlevering ex artikel 23 Overleveringswet Pro, ingediend door de officier van justitie, betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, illegale handel in verdovende middelen en witwassen.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke vereisten en dat de strafbare feiten voorkomen op de lijst van bijlage 1 bij de OLW, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. De Franse autoriteiten gaven garanties dat de opgeëiste persoon, indien veroordeeld, zijn straf in Nederland kan ondergaan. Ondanks dat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd, vond de rechtbank dit onvoldoende reden om overlevering te weigeren.

De rechtbank nam ook de detentieomstandigheden in Frankrijk mee, waarbij werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-inrichting in Nîmes zal worden geplaatst, waar volgens eerdere uitspraken een reëel gevaar op onmenselijke behandeling bestaat. De overlevering werd daarom toegestaan zonder dat er sprake is van strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe onder de gegeven garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751402-21
RK nummer: 21/2949
Datum uitspraak: 27 juli 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 maart 2021 door de officier van justitie bij de
Tribunal Judiciairevan Marseille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeeïste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 juli 2021. Het verhoor heeft middels telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de rechter-commissaris bij de
Tribunal Judiciairevan Marseille van 26 maart 2021 met parketnummer 20 176 000605 en RC-nummer 320/06.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1, 5 en 9, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens en de aanvullende informatie van het
Parquet – Entraide pénale internationale, Tribunal judiciaire de Marseillevan 25 juni 2021 is op deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Het
Parquet – Entraide pénale internationale, Tribunal judiciaire de Marseilleheeft per e-mail van 25 juni 2021 de volgende garantie gegeven:
In case of sentencing of [naam opgeeïste persoon] to an imprisonment sentence, the Public Prosecutor’s Office of Marseille is giving the guarantee of the possibility for the sentenced person, once the decision will be unconditional and irrevocable, to return to the Netherlands to carry out his punishment there.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;
  • het bewijs bevindt zich grotendeels in Frankrijk;
  • de Franse rechtsorde is door deze handel in verdovende middelen geschaad;
  • de Franse autoriteiten hebben kenbaar gemaakt de vervolging in te willen stellen met het uitvaardigen van het EAB;
  • het Openbaar Ministerie is niet voornemens de vervolging van de feiten uit het EAB zelf ter hand te nemen.
De rechtbank stelt voorop dat:
  • aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
  • de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op het voorgaande en op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken in andere zaken (onder andere ECLI:NL:RBAMS:2017:3763) geoordeeld dat er op dit moment ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Het
Parquet – Entraide pénale internationale, Tribunal judiciaire de Marseilleheeft per e-mail van 25 juni 2021 de volgende garantie gegeven:
If the court of Amsterdam was to authorize the surrender of [naam opgeeïste persoon] , if he was to be placed on provisional custody, he would be incarcerated in a penitentiary institution in the Marseille’s region andnot in Nîmes.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet het gevaar loopt aan een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest Pro te worden onderworpen.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 11 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeeïste persoon]aan de officier van justitie bij de
Tribunal Judiciairevan Marseille (Frankrijk).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2021.
De oudste rechter is buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.