De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court Katowice. De zaak werd behandeld in meerdere zittingen, waarbij de opgeëiste persoon zich liet vertegenwoordigen door een raadsman en gebruik maakte van een tolk.
De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd en de strafbare feiten waarvoor overlevering werd verzocht betroffen oplichting, vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten, strafbaar gesteld onder het Poolse recht met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren.
Op grond hiervan besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 27 juli 2021.