De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juli 2021 een vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd via videoverbinding gehoord en bijgestaan door een raadsman en tolk.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. Het EAB betrof strafbare feiten gerelateerd aan illegale handel in verdovende middelen, die volgens de Poolse wet met een gevangenisstraf van ten minste drie jaar worden bestraft.
De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege mogelijke schendingen van het recht op een onafhankelijk gerecht in Polen, mede gezien de politieke situatie en het feit dat de verdachte pas recent betrokken raakte bij het onderzoek. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een oneerlijk proces.
De rechtbank oordeelde dat de verdediging geen feitelijke en concrete omstandigheden had aangevoerd die een reëel gevaar voor een oneerlijk proces konden onderbouwen. Ook ambtshalve waren geen zwaarwegende gronden gebleken die de overlevering in de weg stonden. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan.
Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De beslissing werd uitgesproken door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, en de rechters J.G. Vegter en E.G.M.M. van Gessel op 15 juli 2021.