In deze zaak stond centraal de vraag of verzoekers hun appartementsrecht, dat recht geeft op het gebruik van een woning op de derde en vierde etage, mogen splitsen in vier zelfstandige woonruimten om deze afzonderlijk te verhuren. De woning is onderdeel van een gebouw dat in 2009 is gesplitst in vier appartementsrechten, waarbij het Modelreglement 2006 van toepassing is. De splitsingsakte bevat bepalingen die onder meer het exploiteren van privégedeelten als kamerverhuurbedrijf verbieden en ondersplitsing van een appartementsrecht niet toestaan.
Verzoekers hadden vergunningen van de gemeente verkregen en verzochten de VvE om toestemming voor verbouwingen die de bouwkundige splitsing mogelijk maken. De VvE weigerde toestemming voor bepaalde werkzaamheden, stellende dat de splitsing in strijd is met de splitsingsakte en het reglement. De kantonrechter stelde vast dat de bouwkundige splitsing feitelijk neerkomt op kamergewijze verhuur, ook al betreft het zelfstandige woonruimten, en dat dit strijdig is met het verbod op kamerverhuur en ondersplitsing.
De kantonrechter concludeerde dat de bedoeling van de splitsingsakte is dat het appartementsrecht als één geheel wordt gebruikt en verhuurd. De beoogde splitsing en verhuur aan meerdere niet-verwante personen leidt tot een situatie die de VvE terecht weigert goed te keuren. Het verzoek tot vernietiging van het besluit van de VvE en tot vervangende machtiging werd daarom afgewezen. Verzoekers werden veroordeeld in de proceskosten.