De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 15 september 2021. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van meerdere verkeersovertredingen volgens Duits recht.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Vervolgens beoordeelde zij de strafbaarheid van de feiten onder Nederlands recht, waarbij werd vastgesteld dat de feiten overeenkomen met overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving in het EAB niet voldeed aan de Duitse kwalificatie en dat het strafmaximum niet voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet, maar deze verweren werden verworpen.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.