ECLI:NL:RBAMS:2022:5551

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 september 2022
Publicatiedatum
23 september 2022
Zaaknummer
13/751995-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon Polen na gelijkstelling met Nederlander en terugkeergarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 september 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Rzeszów. De opgeëiste persoon, van Poolse nationaliteit, werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De rechtbank onderzocht haar identiteit en bevestigde deze.

Het EAB betrof strafrechtelijke verdenkingen van oplichting, een feit dat in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) is opgenomen. De rechtbank hoefde de dubbele strafbaarheid niet te toetsen, omdat het EAB voldeed aan de voorwaarden. De opgeëiste persoon werd gelijkgesteld met een Nederlander na bewijs van minimaal vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland, zoals aangetoond met arbeids- en inschrijvingsdocumenten.

De rechtbank ontving een terugkeergarantie van de Poolse autoriteiten dat, indien de opgeëiste persoon in Polen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland mag ondergaan. Tevens concludeerde de rechtbank dat er geen individueel reëel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde.

Gezien het voldoen aan alle voorwaarden en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe na vaststelling van gelijkstelling met een Nederlander en het verkrijgen van een terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751995-21
RK nummer: 22/3325
Datum uitspraak: 15 september 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2021 door
the Circuit Court in Rzeszów, 2nd Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [BRP-adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol/Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
decision of the District Court in Rzeszów dated 05.02,2020, file reference number X Kp 845/19 on application of temporarv arrest for a period of one month from the date of arrest, for the needs of case PO I Ds.70.2020 of the Circuit Prosecutor's Office in Rzeszów.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse, maar wel de Poolse nationaliteit. Dat betekent dat zij, om in aanmerking te komen voor een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de OLW, moet voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander, die in artikel 6, derde lid, van de OLW zijn neergelegd:
1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een aan haar na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman tijdig diverse stukken overgelegd, onder andere met betrekking tot het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon in Nederland. De raadsman heeft gesteld dat op basis van deze stukken is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren, omdat een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW vooralsnog ontbreekt. Subsidiair heeft hij verzocht om aanhouding van de zaak om de Immigratie en Naturalisatie Dienst (hierna: IND) te bevragen over de derde voorwaarde en om een terugkeergarantie op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 6, derde lid, OLW. Op basis van de stukken die de raadsman heeft overgelegd kan volgens hem niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar hier haar verblijfplaats heeft gehad. Voor het geval de rechtbank tot een ander oordeel komt, heeft de officier van justitie ter zitting een IND-bevraging en een terugkeergarantie overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat aan de eerste van de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. De opgeëiste persoon heeft – met de door haar overgelegde stukken – aangetoond dat zij ten tijde van de uitspraak gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon van 2017 tot en met 2021 aan de inkomenseis heeft voldaan. De opgeëiste persoon stond vanaf 15 april 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op adressen in Nederland. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zij in de daaraan voorafgaande jaren heeft gewerkt voor verschillende uitzendbureaus. Haar stelling dat zij ook via die uitzendbureaus werd gehuisvest, vindt steun in een groot aantal salarisspecificaties van diverse uitzendbureaus over die jaren waarop steeds huisvestingskosten in mindering zijn gebracht op haar salaris. Op basis van die gegevens, in combinatie met het aantal door haar gewerkte uren concludeert de rechtbank dat zij ook in de periode van 2017 tot 15 april 2021 in Nederland haar feitelijke verblijfplaats heeft gehad.
Daarnaast is aan de tweede voorwaarde, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW voldaan nu Nederland rechtsmacht heeft voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.
De rechtbank moet ten slotte toetsen of is voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat gebeurt aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de brief van 24 augustus 2022 heeft de IND meegedeeld dat de strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht verliest. Ook aan de derde voorwaarde is daarmee voldaan.
De rechtbank stelt dan ook vast dat is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander op basis van artikel 6, derde lid, OLW.
De overlevering van de opgeëiste persoon kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De
Regional Prosecutor in Rzeszów(Polen) heeft op 24 augustus 2022 de volgende garantie gegeven:
Subject: [naam opgeëiste persoon] , ur. [geboortedag] 1990 (…)
In response to the letter of 23.08.2022, we guarantee, that in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Poland, she will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW Pro: dreigende schending van art. 47 Handvest Pro

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Rzeszów, 2nd Criminal Division(Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en M. Snijders Blok - Nijensteen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (