Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:8484

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
13/263316-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens georganiseerde diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 december 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Brilon. Het EAB betreft een arrestatiebevel van april 2021 voor georganiseerde of gewapende diefstal, strafbaar gesteld onder Duits recht met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar.

De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werd bijgestaan door een advocaat die verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de voortzetting van overleveringsdetentie. Dit verzoek werd afgewezen omdat het Hof op 8 december 2022 reeds uitspraak had gedaan, waarin werd bevestigd dat alleen de uitvoerende rechterlijke autoriteit over uitstel van feitelijke overlevering beslist.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De gegeven garantie dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten, werd als voldoende beoordeeld. Verzoeken tot schorsing van de overleveringsdetentie werden afgewezen, met de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om later een nieuw verzoek in te dienen.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees erop dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De beslissing werd genomen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting op 21 december 2022.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/263316-22
RK nummer: 22/4515
Datum uitspraak: 21 december 2022
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2022 door het
Amtsgericht Brilon(Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[straat] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 december 2022. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D. Greven, advocaat in Borne.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 16 april 2021 van het
Amtsgericht Brilon,dossiernummer 17 Ls 410 Js 434/20-43/20.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Leitende Oberstaatsanwalt in Arnsbergheeft op 9 november 2022 de volgende garantie gegeven:
‘Europees Arrestatiebevel van 12-08-2022, betreffende [opgeëiste persoon] , geboren [geboortedag] -1988 te [geboorteplaats] (…)
Er wordt verzekerd dat in geval van een definitieve veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, de vervolgde persoon voor verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden op basis van de geldige versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27.11.2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.’
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Overige punten

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon nog Nederlandse strafzaken heeft lopen die gelet op artikel 36 OLW Pro in de weg staan aan zijn feitelijke overlevering. Nu er prejudiciële vragen [4] zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) ten aanzien van - kort gezegd - de voortzetting van de overleveringsdetentie in het geval van uitstel van de feitelijke overlevering, verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van deze zaak totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de rechtbank - als uitvoerende rechterlijke autoriteit - zelf dient te beslissen dat de feitelijke overlevering wordt uitgesteld. Verder heeft zij verzocht de overleveringsdetentie op te heffen dan wel te schorsen tot aan het moment van de feitelijke overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat een lopende strafvervolging in verband met een andere verdenking in Nederland niet in de weg staat aan de beslissing van de rechtbank om de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan. De verzoeken van de raadsvrouw zien op beslissingen over de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering, die in deze procedure (nog) niet aan de orde zijn. Artikel 36 OLW Pro is bovendien een facultatieve bepaling; niet uitgesloten is dat binnen de termijn van de gevangenhouding een voorlopige terbeschikkingstelling kan plaatsvinden. Het schorsingsverzoek moet worden afgewezen, voor zover het ziet op schorsing na de uitspraak. Schorsing na de uitspraak is slechts mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden, welke omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen. Bovendien moet een dergelijk verzoek worden ingediend bij de raadkamer van de Internationale Rechtshulpkamer van deze rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De raadsvrouw heeft primair verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van de beantwoording van de door deze rechtbank aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen. [5] Inmiddels heeft het Hof van Justitie op 8 december 2022, een dag na de zitting, arrest gewezen in voornoemde zaak. [6] Het verzoek om aanhouding wordt om die reden afgewezen. Uit dat arrest volgt dat artikel 23 van Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo moet worden uitgelegd dat alleen de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering kan nemen. [7] Inmiddels heeft de rechtbank beslist dat een door de officier van justitie ex artikel 36 lid 1 OLW Pro genomen beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering niet rechtmatig is en dat een kaderbesluitconforme uitleg meebrengt dat de door de rechtbank in raadkamer genomen beslissing tot uitstel daarvoor in de plaats treedt. [8] Alhoewel de rechtbank, met de raadsvrouw, van oordeel is dat de beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering door de rechtbank moet worden genomen, stelt de rechtbank vast dat het verzoek om uitstel van de feitelijke overlevering op dit moment prematuur is. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek af.
Ten aanzien van het verzoek om de schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak te handhaven tot aan de feitelijke overlevering overweegt de rechtbank dat artikel 64, eerste lid, OLW hiertoe geen mogelijkheid biedt, tenzij sprake is van strijd met artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. De opgeëiste persoon kan zich, indien daartoe gronden zijn, na de uitspraak wenden tot de raadkamer van de rechtbank met een nieuw schorsingsverzoek.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Brilon(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
6.Zie HvJ EU 8 december 2022, C-492/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:964 (
7.Zie HvJ EU 8 december 2022, C-492/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:964 (
8.Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 9 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7460.