ECLI:NL:RBAMS:2022:8773
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergunningaanvraag fietstaxi op grond van gewijzigde APV en toetsing evenredigheidsbeginsel
Eiser had een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer met een fietstaxi, geldig tot 1 april 2020. Na een nieuwe aanvraag op 6 januari 2020 weigerde het college deze vergunning te verlenen, verwijzend naar een gemeentelijk besluit om geen nieuwe vergunningen meer af te geven en het vergunningstelsel af te schaffen. De gemeenteraad had artikel 2.51 van de APV aangepast, waardoor per 1 april 2020 het aanbieden van betaald personenvervoer op of aan de weg verboden werd.
Eiser betoogde dat de wijziging van de APV onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, dat zijn belangen onevenredig werden geschaad en dat onduidelijk was of de dienstenrichtlijn van toepassing was. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die het afschaffen van het vergunningstelsel als een politiek-bestuurlijke afweging beschouwden, die terughoudend getoetst moet worden.
De rechtbank concludeerde dat de wijziging zorgvuldig tot stand was gekomen, met onderbouwing uit meerdere onderzoeken en inspraakrondes. Het verbod draagt bij aan het verminderen van overlast en het vrijmaken van openbare ruimte, wat een legitiem algemeen belang dient. De belangen van eiser zijn weliswaar geraakt, maar dit is in de besluitvorming betrokken en gemotiveerd. De dienstenrichtlijn is niet van toepassing op fietstaxivervoer. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vergunningaanvraag voor fietstaxivervoer wordt ongegrond verklaard.