AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Overlevering toegestaan op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks beroep op familie- en gezinsleven
De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 februari 2023 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. De opgeëiste persoon, een vrouw met de Poolse nationaliteit, werd verdacht van diefstal met geweld gepleegd door meerdere personen en er rust een resterende gevangenisstraf van bijna drie jaar op haar.
De verdediging voerde aan dat overlevering een onevenredige inbreuk zou vormen op het recht op familie- en gezinsleven, omdat de vrouw een kind van tien maanden heeft dat zij borstvoeding geeft. De rechtbank erkende het belang van de natuurlijke band tussen moeder en kind, maar oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om overlevering te weigeren, mede omdat het mogelijk is dat de straf in Polen met het kind kan worden ondergaan.
Verder constateerde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar is dat het recht op een eerlijk proces in Polen wordt geschonden, ondanks structurele zorgen over de Poolse rechtsorde. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, zodat de overlevering wordt toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 22 februari 2023, waarbij het beroep op artikel 11 vanPro de Overleveringswet en de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie werd verworpen. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/263735-22
RK nummer: 22/4943
Datum uitspraak: 22 februari 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 29 november 2022 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 april 2022 door the Circuit Court of Zielona Góra(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
Het EAB is behandeld op de zitting van 14 februari 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. Mcgivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Zaryvan 18 augustus 2020 (referentie: II K 497/20).
In het EAB staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, acht maanden en 25 dagen De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Artikel 7 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verweer van de raadsman
De opgeëiste persoon heeft een kind van 10 maanden, dat zij borstvoeding geeft. Gelet op de (ontwikkeling van) de natuurlijke band tussen moeder en kind is het van belang dat zij niet van elkaar worden gescheiden. Mogelijk kan de opgeëiste persoon met haar kind de gevangenisstraf in Polen ondergaan. De opgeëiste persoon en haar kind zouden dan echter langdurig worden gescheiden van de vader van het kind. Al met al zou het toestaan van de verzochte overlevering een onevenredige inbreuk op het recht op familieleven met zich meebrengen. Het bepaalde in artikelen 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zijn in dit verband van belang.
Standpunt van de officier van justitie
Het is mogelijk dat de opgeëiste persoon met haar kind de gevangenisstraf in Polen ondergaat. Daarnaast is een inbreuk op het familie- en gezinsleven in dit geval gerechtvaardigd gelet op artikel 7 inPro samenhang bezien met artikel 52 vanPro het Handvest. Dat volgt ook uit uitspraken van de rechtbank (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBAMS:2023:244 en ECLI:NL:RBAMS:2022:8155).
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt dat de raadsman een beroep doet op het bepaalde in artikel 11 vanPro de OLW. In artikel 11, eerste lid, van de OLW is bepaald dat aan een EAB geen gevolg wordt gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.
Overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen is, gelet op artikel 52, eerste lid, van het Handvest, een bij wet voorziene en dus toegestane inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 7 vanPro het Handvest. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met overlevering wordt nagestreefd. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende om dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. De inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven levert daarom geen beletsel op voor overlevering dan wel voor het gevolg geven aan het EAB.
5.2
Artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld . [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Circuit Court of Zielona Góra(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. R. Godthelp en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100