ECLI:NL:RBAMS:2023:1575

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
13/301667-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 420bis SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks afzien van weigeringsgrond artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 januari 2023 de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Toruń. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van acht maanden voor het opzettelijk gebruik van een vervalst geschrift en witwassen.

Hoewel de rechtbank vaststelde dat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het proces in eerste aanleg en de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro geweigerd zou kunnen worden, zag zij aanleiding af te zien van deze weigeringsgrond. Dit omdat de verdachte een advocaat had gemachtigd die namens hem de verdediging voerde, hij op de hoogte was van de procedure en oproepingen had ontvangen op een door hem opgegeven adres. Tevens had hij geen contact gehouden met zijn advocaat.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een schending van verdedigingsrechten en dat de verdachte kennelijk onzorgvuldig was geweest in het volgen van de procedure. Daarnaast was niet gebleken van een individueel reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De overlevering werd daarom toegestaan.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De rechtbank baseerde zich onder meer op de artikelen 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks de aanwezigheid van een weigeringsgrond ex artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/301667-22
RK nummer: 22/4866
Datum uitspraak: 31 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2022 door
the District Court in Toruń(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [naam PI],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de toelaatbaarheid van het overleveringsverzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgment of the Appeal Court in Gdánsk II Aka 253/18van 8 oktober 2020.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de officier van justitie
De overlevering kan worden toegestaan omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon heeft een adres opgegeven, een adresinstructie ontvangen en de dagvaarding in hoger beroep is gestuurd naar dat adres. Een door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat heeft het appel ingesteld.
Oordeel van de rechtbank
Uit onderdeel f) van het EAB en de aanvullende informatie van 23 december 2022 leidt de rechtbank af dat de in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld door
the Court of Appeal in Gdańsk(Polen). Alleen de procedure in hoger beroep valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Daarbij betrekt zij de aanvullende informatie die de Poolse autoriteiten bij brief van 23 december 2022 en 3 januari 2023 heeft verstrekt. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In onderdeel d) van het EAB staat aangegeven dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg en dat hij een advocaat heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren in Polen. De gemachtigde advocaat was in eerste aanleg aanwezig bij de zitting en heeft daadwerkelijk de verdediging gevoerd. Op 2 januari 2017 is door
the district Court in Torunvonnis gewezen, waarna onder andere door de gemachtigd advocaat – op verzoek van de opgeëiste persoon– hoger beroep is ingesteld. De opgeëiste persoon heeft op zitting verklaard dat hij wist dat zijn advocaat met zijn toestemming hoger beroep had ingesteld. Uit de aanvullende informatie van 23 december 2022 blijkt dat de oproepingen voor de zittingen in hoger beroep zijn verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en het adres van de gemachtigde advocaat. Ook volgt uit deze aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de consequenties als hij dat niet doet.
Gelet op het voorgaande was de opgeëiste persoon op de hoogte van het feit waarvan hij werd verdacht alsmede van de procedure in hoger beroep. Het was aan de opgeëiste persoon om zich bereikbaar te houden voor de autoriteiten en hij moest er rekening mee houden dat zij voor de behandeling van het op zijn verzoek ingestelde hoger beroep zou ontvangen op het door hem in eerste aanleg opgegeven adres. Ook heeft hij geen contact gehouden met zijn advocaat. De rechtbank is van oordeel dat gelet op voornoemde omstandigheden niet kan worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, hij minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de strafrechtelijke procedure.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,
en
witwassen.

5.Artikel 11 OLW Pro: Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225 en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Toruń(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
2.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (