AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer artikel 12 OLW
De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 april 2023 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Kielce, Polen. De verdachte werd verdacht van het plegen van meerdere strafbare feiten waarvoor hij in Polen tot gevangenisstraffen van elk één jaar is veroordeeld. De verdachte ontkende in persoon te zijn gedagvaard, waardoor zijn raadsman een beroep deed op artikel 12 vanPro de Overleveringswet (OLW) om de overlevering te weigeren.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de formele eisen en dat de informatie in het EAB, die stelt dat de verdachte in persoon was gedagvaard en op de hoogte was van de processen, prevaleert boven de enkele ontkenning van de verdachte. De rechtbank concludeerde dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing is en verwierp het verweer.
Verder stelde de rechtbank vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, waaronder poging tot diefstal met valse sleutels en opzettelijke beschadiging van goederen. Hoewel er structurele gebreken zijn in het Poolse rechtssysteem die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, is niet gebleken dat deze gebreken een concreet risico vormden voor de behandeling van deze verdachte.
De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze beslissing. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel en de verdachte zal worden overgeleverd aan de Poolse autoriteiten.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het verweer op grond van artikel 12 OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/055232-23
Datum uitspraak: 26 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 24 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2022 door the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement:
I. of the Local Court in Starachowice of 8 February 2021 (II K 1202/20);
II. of the Local Court in Starachowice of 7 June 2021 (II K 395/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van één jaar (II K 1202/20) en één jaar (II K 395/21), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsman heeft aangevoerd dat er niet op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de processen die tot de veroordelingen hebben geleid. Hij ontkent ten stelligste dat hij in persoon is gedagvaard. Hij zou zijn gedagvaard op de datum van zijn aanhoudingen, maar de genoemde data van de betekeningen wijken af van de pleegdata. Dit roept vragen en onduidelijkheden op. Op grond hiervan staat onvoldoende vast dat hij op de hoogte was van beide processen. Bij gebrek aan verzetgaranties dient de overlevering te worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel van de informatie in het EAB moet worden uitgegaan en dat de opgeëiste persoon dus in persoon is gedagvaard voor beide processen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is daarom niet van toepassing.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en dat zich in beide processen een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat namelijk dat de opgeëiste persoon voor beide processen in persoon is gedagvaard, respectievelijk op 20 januari 2021 en op 25 mei 2021en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op die processen verschijnt. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat dit niet het geval is geweest, is onvoldoende om niet uit te gaan van de informatie in het EAB. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is daarom niet van toepassing. Het verweer wordt verworpen.
4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
(poging tot) diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
5. Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional Court in Kielce(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (