De Duitse autoriteiten hebben via een Europees onderzoeksbevel (EOB) en een Europees bevriezingsbevel (EBB) beslag gelegd op een motor en een auto, waarbij de auto op naam stond van klager, maar vermoed werd dat zijn broer de werkelijke eigenaar was. Klager verzocht via een klaagschrift om teruggave van de auto, stellende dat hij de rechtmatige eigenaar is en dat er geen strafvorderlijk belang tegen teruggave bestaat.
De rechtbank heeft het klaagschrift behandeld en beoordeeld of het beslagrechtmatig is en of klager buiten redelijke twijfel eigenaar van de auto is. De rechtbank concludeert dat, gelet op de aanwijzingen zoals het feit dat de broer van klager de autosleutels had en in de auto werd aangetroffen, een schijnconstructie niet kan worden uitgesloten. Klager heeft zijn eigendom niet met stukken onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat het klaagschrift ongegrond is omdat niet is aangetoond dat klager de eigenaar is. Tevens is voldaan aan de formaliteiten van het EOB en EBB en is geen grond voor weigering van erkenning of uitvoering van deze bevelen aanwezig. Klager kan tegen deze beslissing beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.