ECLI:NL:RBAMS:2023:2878

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
AMS 22/2419
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:17 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:100 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning dwangsom wegens niet tijdige beslissing parkeerbelastingbezwaar

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde op 14 juli 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat eiser zijn auto parkeerde zonder de juiste betaling. Eiser maakte bezwaar en de heffingsambtenaar vernietigde de aanslag omdat eiser een verkeerd kenteken had ingevoerd. De uitspraak op bezwaar werd echter niet correct aan de gemachtigde van eiser bekendgemaakt.

Hierdoor werd de beroepstermijn overschreden, maar de rechtbank acht deze termijnoverschrijding verschoonbaar en verklaart het beroep ontvankelijk. Eiser stelde ook dat de hoorplicht was geschonden, maar de rechtbank oordeelde dat afzien van horen gerechtvaardigd was omdat het bezwaar volledig werd gehonoreerd en geen andere belangen werden geschaad.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een dwangsom van €1.442 wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 april 2022. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht aan eiser vergoed. Het beroep is gegrond verklaard voor de toekenning van de dwangsom, maar de uitspraak op bezwaar zelf wordt niet vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank kent een dwangsom van €1.442 toe wegens niet tijdige beslissing en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2419

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2023 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Op 14 juli 2021 heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan eiser.
Met de uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd (uitspraak op bezwaar 1).
Op 3 januari 2022 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
Op 18 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar beslist om geen dwangsom toe te kennen. Het bezwaar van eiser daartegen is op 13 april 2022 ongegrond verklaard (uitspraak op bezwaar 2).
Eiser heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2023. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , kantoorgenoot van de gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. D.R. de Vries.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure
1. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd, omdat zijn auto met [kenteken] op 9 juli 2021 om 17.43 uur geparkeerd stond ter hoogte van [adres] in Amsterdam, terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2. Eiser heeft op 19 juli 2021 digitaal een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. De gemachtigde van eiser heeft zich gesteld in de procedure met een aanvullend bezwaarschrift van 21 juli 2021.
3. Met uitspraak op bezwaar 1 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag vernietigd, omdat eiser had aangetoond dat hij wel parkeerbelasting had betaald, maar dat hij een verkeerd kenteken had ingevoerd. De heffingsambtenaar heeft deze uitspraak verzonden naar eiser.
4. Eiser voert in beroep aan dat uitspraak op bezwaar 1 ten onrechte uitsluitend is verzonden naar eiser zelf. Op grond van artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de heffingsambtenaar de uitspraak (tevens) aan de gemachtigde moeten sturen. De uitspraak op bezwaar is daarom onjuist bekend gemaakt. Voor zover sprake is van termijnoverschrijding, is deze verschoonbaar. De uitspraak op bezwaar 1 dient verder vernietigd te worden, en de zaak moet worden teruggewezen naar de heffingsambtenaar.
5. Eiser voert verder aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. De gronden om af te zien van het horen zijn limitatief, en staan vermeld in artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aannemelijk is dat eiser hierdoor in zijn procesbelang geschaad is. Er bestond voldoende aanleiding om eiser te horen. [1]
6. Omdat uitspraak op bezwaar 1 niet tijdig juist bekendgemaakt is, dient volgens eiser een dwangsom te worden toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.
Het oordeel van de rechtbank
Uitspraak op bezwaar 1
7. Ten aanzien van uitspraak op bezwaar 1 overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat deze uitspraak niet op juiste wijze is bekendgemaakt. Dit betekent echter niet meteen dat dat de uitspraak vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen naar de heffingsambtenaar, zoals eiser stelt. In dit geval verbindt de rechtbank aan de onjuiste bekendmaking het gevolg dat eiser ontvankelijk kan worden geacht in zijn beroep, ondanks dat hij het beroep tegen uitspraak op bezwaar 1 pas heeft ingesteld na de beroepstermijn van zes weken. De gemachtigde van eiser is namelijk pas met uitspraak op bezwaar 1 bekend geworden toen die werd meegezonden met uitspraak op bezwaar 2.
8. Eiser voert aan dat sprake is van schending van de hoorplicht, zodat uitspraak op bezwaar 1 vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt, omdat op grond van artikel 7:3, eerste lid, onder e, van de Awb van het horen kan worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Aangezien daar in dit geval sprake van is, is dus geen sprake van schending van de hoorplicht.
9. Voor zover eiser dat heeft aangevoerd, volgt de rechtbank de heffingsambtenaar in zijn standpunt dat terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend omdat de naheffingsaanslag niet is vernietigd wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, maar omdat eiser zelf niet het juiste kenteken had ingevoerd bij het betalen van parkeerbelasting. [2]
Uitspraak op bezwaar 2
10. De heffingsambtenaar stelt zich ten aanzien van uitspraak op bezwaar 2 op het standpunt dat hij de dwangsom ten onrechte heeft geweigerd, en dat deze alsnog moet worden toegekend. De rechtbank zal de dwangsom daarom alsnog toekennen.
11. De rechtbank bepaalt de hoogte van de dwangsom als volgt. Eiser heeft de heffingsambtenaar op 3 januari 2022 in gebreke gesteld. Dit betekent dat de heffingsambtenaar, gelet op artikel 4:17 van Pro de Awb, tot uiterlijk 17 januari 2022 uitspraak op het bezwaar kon doen zonder een dwangsom te verbeuren. Omdat uitspraak op bezwaar 1 pas op 13 april 2022 aan de gemachtigde van eiser bekend is gemaakt, is de termijn van 42 dagen [3] vanaf 17 januari 2022 geheel overschreden, zodat de door de heffingsambtenaar verschuldigde dwangsom het maximale bedrag van € 1.442 bedraagt.
12. Voorts ziet de rechtbank aanleiding voor vergoeding van wettelijke rente over de dwangsom zoals eiser heeft verzocht. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente over de dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 4:100 van Pro de Awb is over de dwangsom de wettelijke rente verschuldigd. Op grond van artikel 4:18 van Pro de Awb is de uiterste datum voor het vaststellen van de dwangsom veertien dagen na 28 februari 2022, dus 14 maart 2022. De betalingstermijn voor de dwangsom loopt – naar in Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 48 en 49 wordt aangenomen – zes weken vanaf 14 maart 2022. De laatste dag van deze termijn valt op 25 april 2022. Op dat moment is het verzuim als bedoeld in artikel 4:100 van Pro de Awb ingetreden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om wettelijke rente over de dwangsom vanaf 25 april 2022 toe.
13. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Omdat het beroep alleen gegrond is ten aanzien van uitspraak op bezwaar 2 (de dwangsom) wordt het gewicht van deze zaak aangemerkt als licht (wegingsfactor 0,5). De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5).
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
15. De gevraagde wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt toegewezen vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt uitspraak op bezwaar 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van deze vernietigde uitspraak;
  • stelt vast dat de heffingsambtenaar als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag van 14 juli 2021 een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.442, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2022 tot het tijdstip van voldoening;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van wettelijke rente over de hiervoor vermelde bedragen aan te vergoeden proceskosten in beroep en griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Camps, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2023.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Voetnoten

1.Eiser wijst in dit kader onder andere uit de uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2239 en van 19 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3796, de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11135 en van 7 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8132, en de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59.
2.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017,
3.Als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb.