ECLI:NL:RBAMS:2023:2887

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 mei 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
13/036740-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer op grond van artikel 13 Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Wrocław, Polen, gericht op de overlevering van een Poolse verdachte die in Nederland verblijft en gedetineerd is. De verdachte werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens de Poolse wet met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte rechtmatig en ononderbroken vijf jaar in Nederland verbleef en op grond van de Overleveringswet (OLW) gelijkgesteld kon worden met een Nederlander. De Poolse autoriteiten gaven een garantie dat bij veroordeling de straf in Nederland mag worden uitgezeten. Hoewel er structurele gebreken in het Poolse rechtssysteem zijn die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, werd niet aangetoond dat deze gebreken de zaak van de verdachte concreet hebben beïnvloed.

De verdediging voerde aan dat de feiten volledig in Nederland waren gepleegd en beriep zich op artikel 13 OLW Pro om overlevering te weigeren. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het onderzoek in Polen was gestart, bewijsmiddelen daar aanwezig zijn en het openbaar ministerie in Nederland geen vervolging overneemt. Bovendien was de criminele organisatie ook in Polen en andere lidstaten actief.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn die overlevering in de weg staan. De overlevering wordt daarom toegestaan zonder dat tegen deze uitspraak een gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/036740-23
Datum uitspraak: 4 mei 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 februari 2023 de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 november 2022 door
the Regional Court in Wrocław(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen), op [geboortedag] 1979,
wonende op het adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [plaats detentie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A.L.F Frijns, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the District Court for Wrocław Śródmiesćie of 19 October 2022, file reference number II 2 Kp 367/22, concerning temporary detention for the period of 14 days of the date of detention.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
-
deelname aan een criminele organisatie;
-
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, OLW

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, nu is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, derde lid, van de OLW.
De eerste voorwaarde
Gelet op de overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland van vijf jaar is aangetoond. De opgeëiste persoon heeft dus een duurzaam verblijfsrecht verkregen.
De tweede voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.
De derde voorwaarde
Uit de brief van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) van 18 april 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest als gevolg van de feiten in het EAB.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Op 18 april 2023 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende garantie gegeven:
The Regional Court in Wrocław III Penal Department in response to the letter of 17-04- 2023 in regards of the wanted [opgeëiste persoon] , dob. [geboortedag] , 1979 in [geboorteplaats] , the son of [voornaam vader] and [voornaam moeder] family name [familienaam] kindly inform that pursuant to Article 607j§1 of the Code of Criminal Procedure, if the state enforcing the European Arrest Warrant surrender a wanted person under the condition of the execution of the penalty of imprisonment - in case of sentencing the wanted person to the irrevocable prison sentence - in the state enforcing the warrant, after the sentence becomes final, the convicted person will be returned for the execution of this sentence.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. [4]

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [7]
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de feiten volgens hem volledig gepleegd zijn op Nederlands grondgebied.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Polen is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich daar bevinden. Het openbaar ministerie in Nederland is bovendien niet voornemens om de vervolging over te nemen. Uit het EAB volgt dat de criminele organisatie behalve in Nederland ook in Polen en andere lidstaten actief was. Het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd vormt daarom onvoldoende aanleiding om deze weigeringsgrond toe te passen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Wrocław, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en B. Yesilgöz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 mei 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 16 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:831.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.