De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court in Gdańsk. De zaak kende een langdurige procesgang met een tussenuitspraak in 2021 en een schorsing van de behandeling. De opgeëiste persoon verscheen niet op de zitting van 20 april 2023, noch zijn raadsman.
De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde diens Poolse nationaliteit. Eerder was vastgesteld dat er in Polen sprake is van structurele gebreken in de rechtsorde die een algemeen reëel gevaar op schending van het grondrecht op een eerlijk proces kunnen veroorzaken. De opgeëiste persoon bracht brieven in die zouden aantonen dat de Poolse overheid inmenging pleegt in zijn strafzaak, maar deze brieven bleken niet authentiek.
De rechtbank concludeerde dat niet is aangetoond dat er een individueel reëel gevaar bestaat dat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden. Artikel 11 vanPro de Overleveringswet (OLW) staat de overlevering daarom niet in de weg. Het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en er zijn geen andere weigeringsgronden. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe omdat geen individueel reëel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces is aangetoond.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751380-19 (EAB III)
RK nummer: 19/2837
Datum uitspraak: 20 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW) ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 mei 2019 en betreft onder meer het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2019 door the Regional Court in Gdańsk(Polen) en
strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
Ten aanzien van de procesgang verwijst de rechtbank naar de overwegingen uit haar tussenuitspraak van 22 april 2021. [1] Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De behandeling van de vordering is op 20 mei 2021 hervat. De behandeling is vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst, onder meer omdat de in de tussenuitspraak gestelde vragen nog niet waren beantwoord. Tevens heeft de rechtbank de overleveringsdetentie onder voorwaarden geschorst.
De behandeling van de vordering is met instemming van de officier van justitie in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 20 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is in strijd met de schorsingsvoorwaarden niet ter zitting verschenen. Zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, is - na de rechtbank hiervan voorafgaand aan de zitting in kennis te hebben gesteld - evenmin verschenen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3.Tussenuitspraak
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraken van 10 september 2019 [2] en 20 april 2021. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB en de inhoud van het EAB en de dubbele strafbaarheid al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4.Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [3]
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in Polen gevaar loopt geen eerlijk proces te krijgen voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, heeft de opgeëiste persoon brieven van (beweerdelijk) het Poolse Ministerie van Justitie overgelegd waaruit de inmenging van de Poolse overheid in zijn strafzaak zou blijken. Twee van deze brieven zijn door de Poolse autoriteiten onderzocht. Na analyse en verificatie van de authenticiteit van de stukken, is gebleken dat die brieven niet echt zijn, en niet afkomstig zijn van het Poolse Ministerie van Justitie. De brieven zijn niet ondertekend door de daarop vermelde personen.
Verder heeft de opgeëiste persoon geen andere elementen aangevoerd waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Er is dan ook niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4] Artikel 11 OLWPro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
5.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
7.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en B. Yesilgöz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
4.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (