De eigenaar van een woning in Amsterdam kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens vermeende woningonttrekking, omdat een deel van de woning kortdurend aan een vriend van de huurders zou zijn verhuurd. De woning was regulier verhuurd aan twee studenten die hun vriend gedurende twee maanden op een matras in hun studeerkamer lieten logeren terwijl hij op zoek was naar een eigen woonruimte.
De rechtbank beoordeelde of het verblijf van de vriend moest worden aangemerkt als kortdurende verhuur in de zin van de Huisvestingswet, wat een overtreding zou zijn, of als logeren, wat is toegestaan. Uit het onderzoek bleek dat de vriend slechts tijdelijk verbleef, er geen persoonlijke spullen in de kamer waren en er geen aanwijzingen waren voor commerciële verhuur zoals advertenties.
De rechtbank concludeerde dat het verblijf niet kwalificeert als woningonttrekking omdat het geen verhuur voor kort verblijf betrof maar tijdelijk logeren. De boete werd daarom vernietigd. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de eigenaar.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de feitelijke omstandigheden bij het vaststellen van woningonttrekking en bevestigt dat tijdelijk logeren door een vriend niet automatisch leidt tot overtreding van de Huisvestingswet.