ECLI:NL:RBAMS:2023:5327

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
13/751479-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 OLWArt. 533 SvArt. 530 SvArt. 534 SvArt. 529 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schadevergoeding wegens overleveringsdetentie

Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens vrijheidsbeneming in de overleveringsprocedure, alsmede vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De detentie betrof twee periodes in 2017 en 2018, in totaal 110 dagen. Verzoeker stelde dat de detentie onterecht was omdat het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) door Oostenrijk was ingetrokken en de overlevering binnen tien dagen na uitspraak had moeten plaatsvinden.

De rechtbank heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en de raadsman en officier van justitie gehoord. De rechtbank overwoog dat artikel 67 OLW Pro vergoeding mogelijk maakt indien de overlevering is geweigerd, hetgeen hier niet het geval was. De detentie was gebaseerd op een door de rechtbank toegestane overlevering en het intrekken van het EAB vond plaats nadat de detentie was begonnen.

De rechtbank nam ook recente jurisprudentie in acht waarin werd bevestigd dat vergoeding alleen toekomt bij weigering van overlevering of vergelijkbare situaties. De rechtbank concludeerde dat de detentie niet als onterecht ondergaan kan worden beschouwd. De verzoeken tot schadevergoeding en kosten werden daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding wegens overleveringsdetentie wordt afgewezen omdat de overlevering was toegestaan en de detentie niet onterecht was.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/751479-17
RK nummers: 18/3818 en 18/3819
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van Pro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1980,
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. R.M.F.R. Ketwaru in Amsterdam,
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 18 juni 2018, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, met parketnummer 13/751479-17.
De rechtbank heeft op 14 maart 2023 de raadsman van verzoeker mr. R.M.F.R. Ketwaru in Amsterdam en de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen.
De verzoeken zijn tijdig ingediend en ontvankelijk.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- De overlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan bij uitspraak van de rechtbank van 14 december 2017. De opgeëiste persoon heeft in overleveringsdetentie verbleven van
23 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 en van 14 december 2017 tot en met 26 maart 2018;
- Op 26 maart 2018 is de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geëindigd wegens het intrekken van het EAB door de Oostenrijkse autoriteiten.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 8.975,-
€ 8.975,-voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
 dagen politiebureau: 7 x € 105,- = € 735,-
 dagen Huis van Bewaring 103 x € 80,- = € 8.240,-
- € 280,-
€ 280,-voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken om schadevergoeding zijn gemaakt.
De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van Pro de OLW toekomt omdat de opgeëiste persoon ten onrechte 110 dagen in overleveringsdetentie heeft doorgebracht.
De Nederlandse overheid heeft verwijtbaar gehandeld door de opgeëiste persoon zo lang in overleveringsdetentie te laten verblijven terwijl binnen 10 dagen na de uitspraak van de rechtbank de overlevering dient plaats te vinden. De detentie was bovendien onterecht nu het EAB door Oostenrijk is ingetrokken.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen nu de overlevering door de rechtbank is toegestaan en de opgeëiste persoon niet ten onrechte in overleveringsdetentie heeft verbleven.

5.Toetsingskader

Artikel 67 OLW Pro correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet Pro (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018 [1] .
In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling - waarmee geen oordeel over het onrechtmatig of verwijtbaar handelen van de Nederlandse Staat is gegeven - vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW Pro in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikkingen bij beschikkingen van 9 juli 2019 bevestigd (ECLI:NL:GHAMS:2019:2617 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2019:2616). In die beschikkingen heeft het gerechtshof onder meer overwogen: “Anders dan het openbaar ministerie heeft betoogd acht het hof niet van belang of sprake is van enige verwijtbaarheid aan de zijde van de Nederlandse Staat. Ook in geval van voorlopige hechtenis die niet wordt gevolgd door een veroordeling is immers niet zonder meer sprake van verwijtbaar overheidshandelen. Integendeel, voorlopige hechtenis wordt door de onafhankelijke rechter getoetst en gesanctioneerd en is in die zin - ook achteraf na niet-veroordeling - niet als onrechtmatig of verwijtbaar te bestempelen. Zij kan slechts als achteraf onterecht ondergaan worden gekwalificeerd, en daarvoor is een schadevergoedingsregeling in het leven geroepen. Indien de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig acht, vindt die vergoeding steeds plaats. Om na niet-veroordeling geen vergoeding toe te kennen moet dit billijkheidsoordeel verband houden met de eigen (proces)houding van de gewezen verdachte.”
Uit recente uitspraken van de IRK volgt dat niet alleen als sprake is van een weigering schade kan worden vergoed, maar ook – onder omstandigheden – bij rauwelijkse afwijzing of bij niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie [2] .
De rechtbank stelt vast dat de tekst van artikel 67 OLW Pro en de hiervoor aangehaalde recente toetsingskaders geen aanknopingspunten bieden om in dit geval een schadevergoeding toe te kennen. Er is geen sprake van weigering van de overlevering noch van situaties die daarmee in de recente rechtspraak mee zijn gelijkgesteld. De rechtbank heeft immers in haar uitspraak van 14 december 2017 op verzoek van de Oostenrijkse autoriteiten toestemming verleend tot overlevering van de in het EAB genoemde persoon. [3]
Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de door de opgeëiste persoon ondergane overleveringsdetentie als onterecht ondergaan moet worden beschouwd.
Immers bij e-mail van 2 maart 2023 hebben de Oostenrijkse autoriteiten laten weten dat destijds is besloten het EAB in te trekken omdat de opgeëiste persoon geen justitiële documentatie heeft en omdat hij al 10 maanden in detentie heeft verbleven. Om die reden werd het als disproportioneel gezien om het EAB te handhaven.
Verder wordt in deze e-mail opgemerkt dat er weliswaar geen aanhoudingsbevel tegen de opgeëiste persoon is uitgevaardigd maar dat er nog steeds een onderzoek loopt naar de verblijfplaats van de opgeëiste persoon. In het geval de opgeëiste persoon in Oostenrijk wordt veroordeeld, wordt de door hem in Nederland ondergane overleveringsdetentie in mindering gebracht op de straf, aldus bedoelde e-mail.
De rechtbank zal de verzochte schadevergoeding dan ook geheel afwijzen.

7.Beslissing

De rechtbank
WIJST AFde verzoeken tot vergoeding van de schade voor de ondergane vrijheidsbeneming alsmede voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken om schadevergoeding zijn gemaakt.
Deze beslissing is gegeven op 28 maart 2023 door
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

Voetnoten

2.Vergelijk Rechtbank Amsterdam, 26 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8844 en Rechtbank Amsterdam, 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1623
3.Zie de uitspraak van 23 maart 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:1405