ECLI:NL:RBAMS:2023:6462

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 september 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
13/181394-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-strafbaarheid feit in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 september 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een Poolse onderdaan die wordt verdacht van het niet betalen van kinderalimentatie. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een raadsman en een tolk.

De verdediging voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) vanwege mogelijke schendingen van hoor en wederhoor, en op grond van artikel 7 OLW Pro omdat het feit niet strafbaar is in Nederland en sprake zou zijn van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. De officier van justitie stelde dat de overlevering wel moest worden toegestaan om straffeloosheid te voorkomen en verwees naar eerdere jurisprudentie.

De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon in persoon was gedagvaard en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Hoewel het niet betalen van kinderalimentatie niet strafbaar is in Nederland, is het feit begaan in Polen door Poolse onderdanen zonder aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Overname van de straf door Nederland is niet mogelijk, maar weigering van overlevering zou leiden tot straffeloosheid. Tevens werd vastgesteld dat geen individueel reëel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces.

Daarom stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe ondanks het feit dat het niet betalen van kinderalimentatie niet strafbaar is in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/181394-23
Datum uitspraak: 28 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 18 april 2023 door
Sąd Okręgowy in Kielce(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 september 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
Sąd Rejonowy in Jędrzejówvan 28 januari 2021 met referentie
II K 525/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, dan wel dat op dat punt aanvullende vragen gesteld moeten worden. Uit het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon zou zijn opgeroepen voor het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar de onderliggende betekeningsstukken ontbreken. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting. De raadsman voert aan dat hij geen stukken kan overleggen ter onderbouwing van zijn standpunt zodat het op de weg van de officier van justitie ligt om aanvullende informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten om te verifiëren dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in persoon is gedagvaard.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan en dat artikel 12 OLW Pro daaraan niet in de weg staat. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW is aan de orde nu de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Dit blijkt uit het EAB en van die informatie moet op grond van het vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon dat hij zich niet kan herinneren een dagvaarding te hebben ontvangen, vormt onvoldoende aanleiding om aanvullende informatie aan de Poolse autoriteiten op te vragen.
Oordeel van de rechtbankTen aanzien van het vonnis blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, maar dat hij op 26 november 2020 in persoon is gedagvaard en dat hij er daarbij op gewezen is dat wanneer hij niet zou verschijnen, een beslissing in zijn afwezigheid kon worden genomen, hetgeen ook gebeurd is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon op dit punt geeft de rechtbank, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden om aan de juistheid van de informatie uit het EAB te twijfelen.
Gelet op het bovenstaande is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dan ook niet van toepassing.
Het verweer slaagt niet. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

5.Strafbaarheid

5.1
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
5.2
Standpunt van de raadsman
De overlevering voor het vonnis dient te worden geweigerd. Het feit waarvoor de opgeëiste persoon in dit vonnis is veroordeeld betreft het niet betalen van kinderalimentatie en dat is niet strafbaar in Nederland. De reden van het niet betalen van de alimentatie was daarnaast gelegen in zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, hetgeen van invloed is op de strafwaardigheid. De raadsman verzoekt de rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 7 OLW Pro te weigeren.
5.3
Standpunt van de officier van justitie
Het niet betalen van kinderalimentatie is weliswaar niet strafbaar naar Nederlands recht, maar van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro dient te worden afgezien nu er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde en straffeloosheid dient te worden voorkomen. Het gaat om een feit dat door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan is gepleegd op Pools grondgebied. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:62.
5.4
Oordeel van de rechtbank
Het feit zoals omschreven in het EAB als het niet betalen van kinderalimentatie is naar Nederlands recht niet strafbaar. De rechtbank kan aan de hand van het EAB immers niet vaststellen dat de opgeëiste persoon tijdens het begaan van dit feit (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind, hetgeen wel een strafbaar feit naar Nederlands recht zou opleveren.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is begaan in Polen door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. De opgeëiste persoon kan bovendien niet gelijkgesteld worden met een Nederlander, zodat overname van de straf door Nederland niet mogelijk is. Weigering van de overlevering zou leiden tot straffeloosheid, hetgeen voorkomen dient te worden.
Het verweer slaagt niet.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy in Kielce(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (