ECLI:NL:RBAMS:2023:7227

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
15 november 2023
Zaaknummer
13.227016-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Polen voor uitvoering gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 oktober 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor een opgeëiste persoon geboren in 1992, die momenteel gedetineerd is in Nederland zonder vaste verblijfplaats. Het EAB betreft de uitvoering van een vervangende gevangenisstraf van 262 dagen, opgelegd door de Poolse rechtbank wegens het niet naleven van voorwaarden van een vrijheidsbeperkende straf.

De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig zou zijn geweest bij de zitting die tot het oorspronkelijke vonnis leidde. De rechtbank verwierp dit verweer op basis van het vertrouwensbeginsel en aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit, die bevestigde dat er geen beoordelingsmarge was bij de omzetting van de straf.

Daarnaast werd een onschuldverweer aangevoerd omdat de opgeëiste persoon op de pleegdatum in Polen gedetineerd zou zijn geweest. Dit verweer werd niet voldoende onderbouwd en daarom verworpen. De rechtbank stelde vast dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid is voldaan, dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn.

Op grond hiervan staat de rechtbank de overlevering toe voor de uitvoering van de gevangenisstraf. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf van 262 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.227016-23
Datum uitspraak: 14 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 8 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2023 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. PH.W. Spoelstra, advocaat in Gouda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Bialogardvan 25 september 2018 met kenmerk: II K 97/18. In dit vonnis is een vrijheidsbeperkende straf opgelegd.
Het EAB vermeldt tevens onder f) een vonnis van
the Local Court in Bialogardvan 15 juli 2022, kenmerk: II Ko 817/22. In dit vonnis is de voornoemde opgelegde vrijheidsbeperkende straf omgezet in een vervangende gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen, omdat de opgeëiste persoon zich niet hield aan de voorwaarden van de vrijheidsbeperkende straf.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 262 dagen, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het vonnis van
the Local Court in Bialogardvan 15 juli 2022, kenmerk: II Ko 817/22.
Voornoemde vonnissen betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon kent het vonnis van 25 september 2018 niet en is – anders dan het EAB stelt – niet op de zitting aanwezig geweest die tot dit vonnis heeft geleid. Ten tijde van de zitting was de opgeëiste persoon gedetineerd in Polen.
Oordeel van de rechtbank
In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting die tot het vonnis van 25 september 2018 heeft geleid. Met de enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij ten tijde van de zitting gedetineerd was, heeft hij niet aangetoond dat hij niet op die zitting aanwezig was. De rechtbank gaat dan ook, op grond van het vertrouwensbeginsel, uit van de informatie in het EAB en verwerpt dit verweer.
Artikel 12 OLW Pro ziet niet op beslissingen tot omzetting van een vrijheidsbeperkende straf in een vrijheidsstraf, tenzij die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf wordt gewijzigd en de rechter die deze beslissing heeft gegeven op dit punt over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikte. [4]
Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) heeft bij mailbericht van 20 september 2023 het volgende aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd:
“Could you please inform us whether the Local Court in Bialogard on 15 July 2022 was able to adjust the penalty implied by the Local Court in Bialogard of 25 September 2018? Or was this change of penalty a pure conversion (no margin of assessment)?
If the Local Court in Bialogard on 15 July 2022 was able to adjust the penalty of 25 September 2018, please fill in the attached section D.”
In de aanvullende informatie van 25 september 2023 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is daarop het volgende geantwoord:

The court, on 15 July 2022, when issuing the decision on the replacement of the penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of 262 days of imprisonment, was not able to correct the penalty imposed on the convict by the judgement of 25 September 2018.”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ten aanzien van het vonnis van 15 juli 2022 het formulier met onderdeel d) niet ingevuld.
Mede gelet op hetgeen zij daarover ambtshalve weet, [5] is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat bij het vonnis van 15 juli 2022 geen sprake was van een beoordelingsmarge ten aanzien van de aard of mate van de vrijheidsbenemende straf, zodat deze procedure niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro valt.

5.Onschuldverweer

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd, omdat hij op de in het EAB vermelde pleegdatum in Polen gedetineerd zat.
Oordeel van de rechtbank
Voor zover de raadsman heeft bedoeld een onschuldverweer te voeren, is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat de onschuld van de opgeëiste persoon niet ter zitting is aangetoond. Reeds om die reden verwerpt de rechtbank het verweer. [6]

6.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Diefstal

7.De Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW Pro)

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

Het artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU,
5.Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6533.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 21 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1405
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (