De zaak betreft een geschil tussen een advocaat en haar cliënt over de betaling van declaraties voor juridische bijstand in een echtscheidingsprocedure. De advocaat vorderde betaling van € 8.911,57, terwijl de cliënt betwistte dat het uurtarief en de kantoorkosten waren overeengekomen en stelde dat het bedrag gematigd moest worden.
De rechtbank heeft ambtshalve het kostenbeding getoetst aan de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het enkel vermelden van een uurtarief zonder een raming van het aantal uren of andere kosten werd als niet transparant en oneerlijk beoordeeld, mede gelet op een recent arrest van het HvJEU van 12 januari 2023.
De vernietiging van het kostenbeding leidt ertoe dat de overeenkomst als geheel vervalt, waardoor geen omzetting naar een redelijk loon plaatsvindt. De rechtbank veroordeelt de cliënt echter tot betaling van € 4.392,30, een bedrag dat hij zelf redelijk achtte voor de verrichte werkzaamheden. De wettelijke rente wordt toegewezen, maar de gevorderde incassokosten worden afgewezen wegens een formele tekortkoming in de ingebrekestelling. De proceskosten worden gecompenseerd.