AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer op grond van artikel 12 en 6a Overleveringswet
De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 november 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen, gericht op de overlevering van de opgeëiste persoon voor een vrijheidsstraf van zes maanden wegens rijden tijdens een rij-ontzegging.
De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OverleveringswetPro (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was opgeroepen voor de procedure en niet van de zitting wist. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was gesteld via zijn adresinstructie en dat geen sprake was van een schending van verdedigingsrechten. De rechtbank zag daarom af van de bevoegdheid om op grond van artikel 12 OLWPro de overlevering te weigeren.
Daarnaast werd verzocht om toepassing van artikel 6a OLW, waarbij de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijkgesteld zou worden vanwege een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon dit niet met objectieve stukken kon onderbouwen, mede omdat hij sinds april 2021 als niet-ingezetene staat geregistreerd en geen bewijs van verblijf kon leveren. Het verweer werd daarom verworpen.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan moet worden. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks verweer op grond van artikel 12 en 6a OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/249505-23
Datum uitspraak: 29 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 29 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juni 2014 door the District Court in Toruń, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1973,
verblijvende op het adres: [adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 november 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. van Wingerden, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt the judgement of the Regional Court in Toruńin Polen, van 29 september 2011, met referentie II K 1034/11.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
In onderdeel d) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJEU 24 mei 2016, C-108/16 PPU) en deze rechtbank uit 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3643) betoogd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLWPro moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet wist van de zitting. De dagvaarding is weliswaar aan de ex-partner van de opgeëiste persoon uitgereikt, maar zij heeft niets aan hem doorgegeven. Hij is niet in persoon opgeroepen, maar de oproep is overhandigd aan een derde persoon en nergens blijkt uit dat zij de dagvaarding aan hem heeft overhandigd. Om die reden dient de overlevering te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLWPro niet aan overlevering in de weg staat. Weliswaar doet zich geen van de omstandigheden van artikel 12 OLWPro voor, maar er kan worden afgezien van weigering. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie ontvangen en de dagvaarding is verzonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, zodat hij niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad.
Oordeel van de rechtbank
In onderdeel b) van het EAB is het volgende ingevuld:
“The person was not summoned in person but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial (…) – the postal letter was received by [opgeëiste persoon] ’s wife.”
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat hetgeen hier vermeld staat niet voldoende is om ervan uit te gaan dat de uitzondering van artikel 12, onder a, OLW van toepassing is. Het is op grond hiervan immers niet mogelijk om vast te stellen dat de opgeëiste persoon “anderszins daadwerkelijk” in kennis is gesteld van de zitting.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLWPro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 oktober 2023 is het volgende opgenomen:
“In case file reference II K 1034/11 the sentence in the mode of Article 335 of the Polish Code of Penal Procedure, agreed with the Prosecutors' office had been adjudicated towards [opgeëiste persoon] . The sitting of the Court in this case was held on 29th September 2011. The notification on the date, together with the act of indictment and the request by the Prosecutor in the mode of the above indicated Article was collected by [naam] . As [opgeëiste persoon] failed to appear at the sitting of the Court, the sentence, together with the instructions on possible manner of submitting the appeal from the sentence had been sent thereto by post and it was also collected by [naam] . The correspondence had been sent to the following address: [adres 2] and that address was indicated during the interrogation at the Prosecutors' Office as his place of residence. (…)
During the pre-trial proceedings, [opgeëiste persoon] was twice instructed on his duty to
inform about each change of place of residence or stay lasting for more than 7 days, and also, in case of stay abroad, on the duty to indicate the mailing (correspondence) address in Poland and that the letters sent may be deemed as served; he confirmed the receipt of them by his own signature.”
Uit de verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld (rijden tijdens een rij-ontzegging op 19 april 2011) op een zeker moment is verhoord. Hij was dus op de hoogte van de verdenking en van het feit dat er een procedure tegen hem liep. Tijdens zijn verhoor heeft de opgeëiste persoon een verblijfadres opgegeven. Ook is de opgeëiste persoon twee maal geïnformeerd over de verplichting om eventuele adreswijzigingen door te geven en de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructies getekend. De correspondentie omtrent de procedure is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in 2011 naar Nederland is gekomen, maar dit vertrek naar Nederland heeft hij niet doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Gelet op voornoemde stelt de rechtbank vast dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.
Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd maakt dit oordeel niet anders. De rechtspraak waar zij naar verwijst, heeft namelijk betrekking op het bepaalde in artikel 12 OLWPro zoals dit tot 1 april 2021 luidde. Per 1 april 2021 is artikel 12 OLWPro met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet gewijzigd van een dwingende weigeringsgrond in een facultatieve weigeringsgrondwaardoor het toetsingskader in deze bepaling is gewijzigd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.
4.Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft onder overlegging van stukken verzocht om de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen, de overlevering te weigeren en na aanpassing van de straf wegens het gewijzigde strafmaximum, de tenuitvoerlegging van de resterende straf in Nederland te bevelen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, aangezien de opgeëiste persoon niet op grond van objectieve stukken heeft aangetoond dat hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Hoewel blijkt dat de opgeëiste persoon al langere tijd in Nederland verblijft, stelt de rechtbank vast dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de opgeëiste persoon van 17 maart 2017 tot 9 april 2021 ingeschreven gestaan, maar vanaf
9 april 2021 staat hij als “niet ingezetene, vertrokken onbekend waarheen” geregistreerd. Stukken alsmede een overzicht waaruit blijkt waar de opgeëiste persoon vanaf 9 april 2021 heeft verbleven ontbreken. Wat het inkomen van de opgeëiste persoon betreft, zijn er inkomstengegevens over 2021 en 2014 verstrekt alsmede bankafschriften over 2023 en vanaf eind juni 2022. Een schriftelijke toelichting en overzicht van inkomsten alsmede inkomstengegevens over de periode tot eind juni 2022 ontbreken. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij de afgelopen jaren contant uitbetaald kreeg voor zijn werk en in een chalet op een vakantiepark woonachtig was. Gegevens waar een en ander uit blijkt ontbreken echter. De opgeëiste persoon is dan ook niet in staat om objectieve verifieerbare stukken te overleggen om een rechtmatig ononderbroken verblijf in Nederland gedurende 5 jaar te onderbouwen. Nu niet aan het eerste vereiste is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer.
Op grond van het vorenstaande kan de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld worden met een Nederlander. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 9, 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the District Court in Toruń, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.