Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Circuit Court of Zielona Góra(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
4.Toelaatbaarheid overlevering vonnissen I (II K 142/07) en III (II K 626/11)
by [opgeëiste persoon] for service of process, and it was collected by an adult occupant at that address — in compliance with Art. 132 § 2 of the Code of Penal Procedure which states that in the event of the addressee’s temporary absence from home, the process is to be served on an adult resident of the addressee’s household — if also absent, the process can be served on the landlord or the caretaker or the village chief — on condition they undertake to pass the process on to the addressee. A copy judgment was, too, served on [opgeëiste persoon] at the same address and it was again collected by an adult occupant. Besides, [opgeëiste persoon] pleaded guilty and was sentenced to a custodial sentence suggested by the prosecutor he had agreed to.
daadwerkelijkheeft ontvangen. Die antwoorden komen immers overeen met hetgeen al in onderdeel d) van het EAB is vermeld en houden niet meer in dan dat de opgeëiste persoon schuld heeft bekend en akkoord is gegaan met de door de officier van justitie voorgestelde straf en dat de dagvaarding is uitgereikt op het adres van de opgeëiste persoon aan een huisgenoot die heeft toegezegd de dagvaarding aan de opgeëiste persoon te overhandigen. Uit de verklaringen van de opgeëiste persoon kan evenmin worden afgeleid dat hij de informatie over datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting
daadwerkelijkheeft ontvangen. Aan de kaderbesluitconform uitgelegde voorwaarden van artikel 12, aanhef en onder a, OLW is dus niet voldaan.
facultatieveweigeringsgrond van artikel 4 bis Pro van Kaderbesluit 2002/584/JBZ de uitvoerende justitiële autoriteit de ruimte biedt om rekening te houden met een dergelijke conclusie (zie punt 51 van het arrest van het Hof van Justitie), heeft de Nederlandse wetgever bewust gekozen voor een
dwingendeimplementatie van die bepaling. In antwoord op de vraag van het Hof van Justitie naar de redenen die tot die dwingende implementatie hebben geleid, heeft de Nederlandse regering het volgende opgemerkt:
“De Nederlandse regering heeft dan ook bepaald dat in de gevallen waarin een persoon is veroordeeld in een proces waarbij deze niet aanwezig was en waarbij deze persoon niet goed en niet tijdig op de hoogte is gebracht van het proces, de tenuitvoerlegging van het EABmoetworden geweigerd. Dit is gedaan met het oog op de bescherming van het recht op een eerlijk proces en teneinde duidelijk(e) en transparante voorwaarden te scheppen aan de hand waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteiten bepalen of de tenuitvoerlegging van een EAB wordt geweigerd”. [1] Gelet op de dwingende formulering laat artikel 12 OLW Pro de overleveringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat zich geen van de – kaderbesluitconform uitgelegde – gevallen van de onderdelen a) tot en met d) voordoet, geen ruimte om af te zien van weigering van de overlevering op basis van omstandigheden als bedoeld in punt 51 van het arrest van het Hof van Justitie. In zoverre gaat artikel 12 OLW Pro dus verder dan waartoe de bescherming van het recht op een eerlijk proces en de eisen van een duidelijke en transparante rechtspraak nopen.
6.Slotsom
7.Toepasselijke wetsbepalingen
8.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Zielona Góraten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
die is opgelegd bij vonnis II (II K 462/10).