Verdachte werd verdacht van gewoontewitwassen van een bedrag van €115.411,89 in de periode van 2018 tot 2022. Het onderzoek startte na de aanhouding van zijn zoon voor drugshandel, waarbij grote geldbedragen in koffers in de woning van verdachte werden aangetroffen. Verdachte verklaarde dat het geld afkomstig was uit leningen, spaargeld uit legale inkomsten en vakantiegeld in Marokkaanse Dirhams.
De rechtbank hanteerde het zes-stappenarrest als toetsingskader en oordeelde dat de verklaring van verdachte concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was. Getuigenverklaringen en onderliggende documenten ondersteunden zijn verhaal. Het Openbaar Ministerie kon niet met voldoende zekerheid aantonen dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De rechtbank verwierp de verklaring van verdachte direct na aanhouding als onbetrouwbaar vanwege taalproblemen en paniek. De latere verklaring, ondersteund door getuigen en documenten, werd als geloofwaardig beschouwd. Kleine discrepanties in bedragen en tijdstippen werden verklaard door het tijdsverloop en waren onvoldoende om het bewijs te ondermijnen.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. De rechtbank gelastte de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen en verwees de beslissing over de ontnemingsvordering naar een apart vonnis.