Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring door de gemeente Amsterdam. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aan de bindingseis voldeed, aangezien hij niet vier jaar onafgebroken in Amsterdam woonachtig was volgens de Basisregistratie Personen (BRP).
De rechtbank oordeelt dat de gemeente in beginsel mag uitgaan van de BRP-inschrijving om de woonduur te bepalen. Hoewel eiser aanvullende bewijsstukken overlegde, zoals bankafschriften, arbeidsovereenkomsten en medische dossiers, zijn deze niet toereikend om de volledige vierjarige periode te dekken. Hierdoor is de afwijzing op grond van de bindingseis terecht.
De rechtbank beoordeelde vervolgens of verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen vanwege de ernstige medische situatie van eiser. Uit het medische dossier blijkt dat eiser een gecompliceerde COVID-19 infectie heeft doorgemaakt met ernstige gevolgen, en dat verblijf in noodopvang met gedeelde voorzieningen gezondheidsrisico's oplevert. Verweerder had daarom een medisch onderzoek moeten laten verrichten om een zorgvuldige afweging te maken.
De rechtbank concludeert dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.