Eiser, eigenaar van een woning in Amsterdam, verhuurde deze in 2020 voor vier nachten aan toeristen zonder voorafgaande melding, wat in strijd was met de voorwaarden van zijn onttrekkingsvergunning. Verweerder legde een bestuurlijke boete van €6.000 op wegens schending van de meldingsplicht. Na bezwaar en een nieuw matigingsbeleid werd de boete verlaagd naar €3.000.
Eiser stelde dat de wijziging van de wettelijke grondslag tijdens de bezwaarprocedure onzorgvuldig was en dat de boete buitenproportioneel was vanwege bijzondere omstandigheden, zoals het eenmalige karakter van de overtreding en zijn beperkte financiële draagkracht. De rechtbank oordeelde dat de wijziging van de grondslag rechtmatig was en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren.
De rechtbank vond het matigingsbeleid redelijk en oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat verdere matiging op grond van bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd was. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met bijna veertien maanden was overschreden, wat aanleiding gaf tot een matiging van de boete met 10% (€300).
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, stelt de boete vast op €2.700 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.