Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Tetouan in Marokko, eiser
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) dat financiële aanspraken tegenover de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Bij aanspraken die gebaseerd zijn op een aansprakelijkheidstelling voor geleden schade vangt deze verjaringstermijn aan bij het moment waarop de betrokkene met betrekking tot zijn schade in actie had kunnen komen. Stuiting betekent dat een lopende termijn is afgebroken en een nieuwe termijn van vijf jaar begint. Het is aan de betrokkene om aan te tonen dat de verjaring tijdig is gestuit en ook dat, als sprake is van een nieuwe verjaringstermijn die is gaan lopen door stuiting, die nieuwe termijn tijdig is gestuit.
toenmoeten voorleggen aan het UWV. Eiser had toen vijf jaar de tijd om een schadeverzoek in te dienen. Dat heeft hij of zijn advocaat niet gedaan. Dat heeft hij ook niet gedaan binnen vijf jaar nadat hij bekend was geworden met het rapport van [naam] . Eiser heeft pas op 7 juli 2022 een verzoek om schadevergoeding bij het UWV gedaan. De vordering is dus verjaard. Dat betekent dat als eiser al gelijk zou hebben gehad het UWV de schadevergoeding nu niet meer hoeft te betalen. Dat geldt ook voor de vordering over 2002 tot en met 2004. Die vordering is ook verjaard.
Conclusie en gevolgen