ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- B.J. van de Griend
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek smartengeld wegens verjaring bij dienstongeval politie
Appellante, sinds 1995 werkzaam bij de politie, liep op 17 februari 2001 een dienstongeval op tijdens een training zelfverdediging waarbij zij een klap op haar linkerhand kreeg. In oktober 2007 werd vastgesteld dat haar linkerhand duurzaam verminderd belastbaar was, waarna zij in 2008 werd geplaatst in een niet-executieve functie. Zij vroeg in 2008 erkenning van het dienstongeval en in 2009 om toekenning van smartengeld.
De korpschef wees het verzoek om smartengeld in 2010 af wegens het ontbreken van causaal verband tussen het ongeval en de invaliditeit. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de korpschef in eerste instantie geen beroep op verjaring had gedaan, maar stelde de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege verjaring.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en overweegt dat appellante al vóór 7 november 2003 ernstig rekening moest houden met blijvende invaliditeit, waardoor zij redelijkerwijs eerder actie had kunnen ondernemen. De erkenning van het dienstongeval in 2009 betekent niet dat de verjaringstermijn pas toen begon te lopen. Ook is geen sprake van rechtshandeling waardoor de korpschef afstand zou hebben gedaan van het verjaringsrecht.
Daarmee is het beroep op verjaring terecht en wordt het hoger beroep afgewezen. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens verjaring van het verzoek om smartengeld.