Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
17 april 2024.
Rechtbank Amsterdam
Eiser startte in december 2019 een eenmanszaak en vroeg meerdere keren een Bbz-uitkering aan. Na een eerste toekenning voor een korte periode verleende het college later voorschotten, maar wees de aanvraag uiteindelijk af en vorderde deze terug. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze afwijzing.
De rechtbank overwoog dat de peildatum voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf 28 oktober 2022 was. Eiser had onvoldoende concreet bewijs geleverd dat zijn onderneming op die datum levensvatbaar was. Hoewel hij enkele opdrachtbevestigingen en communicatie over mogelijke opdrachten overlegde, was niet aannemelijk dat deze tot daadwerkelijke omzet leidden. Ook had eiser sinds april 2022 geen opdrachten meer gehad.
De rechtbank nam mee dat privé-onttrekkingen in 2021 hoger waren dan de inkomsten en dat de omzet uit eerdere jaren deels uit andere werkzaamheden bestond. De eigen verwachting van eiser dat hij zijn kosten zou kunnen dekken, was onvoldoende. De rechtbank bevestigde dat alleen de situatie op de peildatum relevant is en wees het beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Bbz-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van levensvatbaarheid op de peildatum.