Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zijn autobedrijf dat zich richt op import en verkoop van auto's. Het college vroeg het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) om een bedrijfseconomisch onderzoek naar de levensvatbaarheid van het bedrijf. Het IMK concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was, met een brutowinstmarge van 11,7% en een omloopsnelheid van vijf.
Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het IMK-rapport voldoende onderbouwd en inhoudelijk overtuigend. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bedrijf wel levensvatbaar was, gesteund door nieuw advies van Friedeberg Consultancy en financieringsvoorstellen van Qredits en De Unieke Ondernemer, maar deze stukken betroffen een nieuwe aanvraag en niet de onderhavige.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het bedrijf ten tijde van het besluit niet levensvatbaar was. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van het deskundige advies van het IMK, dat niet is weerlegd door objectieve tegenadviezen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.