De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 april 2024 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Częstochowa, Polen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en twee maanden voor medeplegen van zware mishandeling en een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.
Hoewel het EAB betrekking heeft op een vonnis dat is gewezen zonder dat de verdachte persoonlijk aanwezig was, en de verzetgarantie uit Polen niet onvoorwaardelijk is, besloot de rechtbank af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Dit omdat de verdachte tijdens het vooronderzoek bekend heeft en hij geen adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten heeft doorgegeven, waardoor hij kennelijk onzorgvuldig is geweest in het waarborgen van zijn verdedigingsrechten.
De verdediging voerde aan dat de verdachte gelijkgesteld moet worden met een Nederlander en dat overlevering daarom geweigerd moet worden. De rechtbank stelde echter vast dat niet is aangetoond dat de verdachte vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, zoals vereist voor gelijkstelling. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, waarna zij de overlevering toestond.