Opposant had beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door de Minister van Financiën. De rechtbank had deze beroepen op 2 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij te vroeg waren ingediend, namelijk voordat de dwangsomtermijnen waren verstreken.
Tegen deze beslissing stelde opposant verzet in, stellende dat de dwangsomtermijnen inmiddels waren verstreken en dat hij recht had op dwangsomvergoedingen. De rechtbank overwoog dat de beroepen waren ingediend op momenten dat de dwangsomtermijnen nog liepen, waardoor de beroepen prematuur waren.
De rechtbank benadrukte dat het systeem van dwangsommen bedoeld is om het bestuursorgaan te stimuleren zo snel mogelijk te beslissen, maar dat het niet de bedoeling is om meerdere dwangsomvergoedingen voor dezelfde dag te stapelen. Omdat de dwangsomtermijnen ten tijde van de beroepen en de uitspraak nog niet waren verstreken, was er geen sprake van ontvankelijkheid.
Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, waarmee de zaak definitief is afgesloten.