ECLI:NL:RVS:2022:1686
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring opvolgend beroep niet-tijdig besluit
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2021, waarin zijn verzet tegen de eerdere uitspraak van 16 augustus 2021 ongegrond werd verklaard. Dit verzet betrof de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep wegens het niet-tijdig nemen van een besluit. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het was ingesteld terwijl het college nog dwangsommen verbeurde uit een eerdere procedure, waardoor appellant niet in een gunstiger positie kon komen.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de beleidslijn van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht toepaste, dat deze alleen in het vreemdelingenrecht geldt, en dat de dwangsom op het moment van uitspraak al was volgelopen. Tevens stelde appellant dat de rechtbank de beleidslijn niet ter beschikking stelde, wat een schending van de goede rechtsorde zou zijn.
De Raad van State overwoog dat de eventuele onjuistheid van de uitspraak niet leidt tot een schending van fundamentele rechtsbeginselen die het doorbreken van het appelverbod rechtvaardigt. De rechtbank had het beroep gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard en appellant had geen schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen aangetoond.
De Raad van State verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt terugbetaald.