AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens niet tijdig studentenreisproduct
Eiser heeft studiefinanciering aangevraagd, die aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar is de studiefinanciering met terugwerkende kracht toegekend, inclusief het studentenreisproduct. Eiser verzocht vervolgens om schadevergoeding voor de periode waarin hij geen gebruik kon maken van het studentenreisproduct.
De rechtbank oordeelt dat artikel 3.29 van de Wet studiefinanciering 2000 niet van toepassing is omdat de aanvraag eerst werd afgewezen en later werd toegekend na bezwaar. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom beoordeeld als een verzoek op grond van artikel 8:88 AwbPro.
Hoewel het besluit onrechtmatig was, heeft eiser de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt met verifieerbare en objectieve bewijsstukken. Het verzoek om vergoeding van gemaakte reiskosten wordt daarom afgewezen. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens het niet tijdig kunnen gebruiken van het studentenreisproduct wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2597
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. G. Gabrelian),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (DUO)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
1.2.
Eiser heeft op 13 oktober 2021 studiefinanciering, waaronder een studentenreisproduct, aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 17 januari 2022 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat bezwaar is op 21 april 2022 gegrond verklaard. DUO heeft op 25 april 2022 alsnog studiefinanciering en een studentenreisproduct toegekend over de periode februari tot en met mei 2022. Dit besluit is op 29 april 2022 herzien waarbij de toekenning in stand is gelaten.
1.3.
Eiser heeft vervolgens op 25 april 2022 DUO verzocht om schadevergoeding, omdat hij ten onrechte een periode geen gebruik heeft kunnen maken van een studentenreisproduct. DUO heeft op 26 juli 2022 eiser in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken op te sturen van zijn gemaakte reiskosten in de periode van 13 februari tot en met 25 april 2022. DUO heeft het verzoek vervolgens met het besluit van 10 augustus 2022 afgewezen, omdat eiser de bewijsstukken niet heeft opgestuurd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van DUO. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
2.
Beoordeling door de rechtbank
2.1.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser om schadevergoeding door verweerder. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser recht op schadevergoeding?
Standpunten partijen
3.
3.1.
Eiser stelt dat hij door toedoen van DUO ten onrechte geen beschikking heeft gehad over een studentenreisproduct ten tijde van de aan hem met terugwerkende kracht toegekende studiefinanciering over de periode 13 februari tot en met 25 april 2022. Daarom moet aan hem een schadevergoeding worden toegekend op grond van artikel 3.29 van de Wsf 2000.
3.2.
DUO stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en om die reden geen sprake kan zijn van een schadevergoeding. DUO voert verder aan dat artikel 3.29 van de Wsf 2000 niet van toepassing is. Voor zover het verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stelt DUO zich op het standpunt dat de schade onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.29, eerste lid, van de Wsf 2000 niet van toepassing is op de situatie van eiser. Dit artikel is bedoeld voor studenten aan wie wel studiefinanciering is toegekend, maar aan wie niet tevens (tijdig) een reisrecht ter beschikking is gesteld, in de zin dat het reisproduct niet (tijdig) klaarstond om te worden opgehaald bij een daarvoor bestemde automaat. In het geval van eiser is daarvan geen sprake. DUO heeft de aanvraag om studiefinanciering immers eerst afgewezen met het besluit van 17 januari 2022 en het recht op studiefinanciering pas achteraf alsnog vastgesteld, hangende een bezwaarprocedure. Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2014, waaruit volgt dat artikel 3.29 van de Wsf 2000 niet van toepassing is op situaties als die van eiser. [1]
5.1.
Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank het verzoek om schadevergoeding aan als een verzoek in de zin van artikel 8:88 vanPro de Awb.
5.2.
De rechtbank moet, voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of het onrechtmatig nalaten een besluit te nemen. Alleen schadeposten die aan het bestuursorgaan – mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en schade – als gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend, komen voor vergoeding in aanmerking. De schadevergoeding moet de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Het is aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.
5.3.
De rechtbank zal eerst vaststellen of er sprake is van een onrechtmatig besluit. Uit de besluiten van 21 april 2022 en 29 april 2022 van DUO volgt dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. In de besluiten staat namelijk het volgende:
“Verzoek kostenvergoeding
Kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt kunnen soms worden vergoed.
Voorwaarde daarvoor is dat het besluit wordt herroepen omdat dit
onrechtmatig is en dit te wijten is aan de Dienst Uitvoering Onderwijs. Een
besluit is onrechtmatig als het op basis van de toen bekende gegevens niet
mocht worden genomen.
Er wordt een vergoeding van € 541,00 toegekend.”
DUO heeft een vergoeding toegekend aan eiser terwijl DUO dat volgens het besluit alleen doet als er sprake is van herroeping van een onrechtmatig besluit en dit te wijten is aan DUO. Hieruit maakt de rechtbank op dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Dat DUO vervolgens in deze procedure aanvoert dat er een fout is gemaakt en dat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit doet hier niet aan af. DUO heeft het besluit van 29 april 2022 niet herroepen, herzien of ingetrokken.
5.4.
Vervolgens zal de rechtbank de gestelde schade beoordelen. Eiser heeft gesteld schade te hebben geleden, maar heeft dit niet met verifieerbare en objectieve stukken onderbouwd. Hij is er dus niet in geslaagd de gestelde schade aannemelijk te maken. Dat de schadevergoeding zou moeten worden begroot op het door eisers misgelopen voordeel ten hoogte van de waarde van het misgelopen reisproduct, onder meer omdat eisers reisbewegingen zou hebben geminimaliseerd omdat hij de kosten niet kon dragen nu hij niet in het bezit was van een studentenreisproduct, volgt de rechtbank niet. [2] Ook dan had het op de weg van eiser (bijgestaan door een professionele gemachtigde) gelegen om op zijn minst concreet te maken welke reisbewegingen hij niet heeft gemaakt die hij anders wel gemaakt zou hebben. Het verzoek om vergoeding van de schade voor de gemaakte reiskosten in de periode van 13 februari tot en met 25 april 2022 wordt daarom afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4125.
2.Daarbij komt dat de uitspraak waar eiser naar verwijst gaat over een ten onrechte in gebruik genomen reisproduct, waardoor bij betrokkene een schuld is ontstaan (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:753).