Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat de vergoeding van studiekosten centraal, specifiek de reiskostenvergoeding voor betrokkene die ten onrechte geen OV-recht heeft ontvangen. Na een tussenuitspraak heeft appellant studiefinanciering en een vergoeding toegekend, maar de vergoeding voor reiskosten was ontoereikend.
De Raad oordeelt dat artikel 3.29 van de Wet studiefinanciering 2000 niet van toepassing is op deze situatie, omdat betrokkene aanvankelijk geheel werd afgewezen en geen studiefinanciering of reisrecht ontving. De beperking van aansprakelijkheid die dit artikel mogelijk beoogt, is onvoldoende expliciet in de wet verankerd.
Betrokkene heeft kopieën van treinkaartjes overlegd als bewijs van de gemaakte reiskosten. De Raad stelt dat appellant op basis van deze stukken de schadevergoeding opnieuw moet bepalen. De eerdere beslissing wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en het griffierecht wordt geheven. De Raad benadrukt dat alleen de kosten van de partij zelf voor vergoeding in aanmerking komen, niet die van haar gemachtigde.
Uitkomst: Het besluit van 19 juli 2013 wordt vernietigd en appellant moet een nieuwe beslissing nemen over de vergoeding van de door betrokkene geleden reiskosten.