De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 augustus 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die op 10 september 2024 werd uitgesproken. Veroordeelde werd eerder veroordeeld voor het telen van hennep op 5 december 2022. De officier van justitie vorderde een bedrag van €397.237,68, gebaseerd op een rapport dat de opbrengst van de hennepkwekerij over de periode van 28 mei 2020 tot de ontdekking op 5 december 2022 berekende.
De rechtbank stelde vast dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft gepleegd waaruit het voordeel is verkregen. Het ontnemingsrapport bevatte een gedetailleerde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met onder meer het aantal oogsten, het aantal planten per kweekruimte, de opbrengst per plant, en de verkoopprijs per gram hennep. Kosten zoals afschrijvingen en variabele kosten werden in mindering gebracht, resulterend in een netto voordeel per oogst van €33.103,14, vermenigvuldigd met 12 oogsten.
De verdediging betwistte niet substantieel de conclusies van het rapport. De rechtbank nam het rapport als bewijsmiddel over en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €397.237,68. Gezien een betalingsregeling met Liander, waarbij veroordeelde sinds het eerste kwartaal van 2023 maandelijks €400 betaalt, werd dit bedrag verminderd met €7.200,00. De rechtbank legde veroordeelde een betalingsverplichting van €390.037,68 op aan de Staat en bepaalde een gijzelingstermijn van maximaal 1080 dagen.