ECLI:NL:RBAMS:2024:5977
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T.L. Fernig - Rocour
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen vaststelling proceskostenvergoeding bij parkeerbelasting
Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting, maar dit beroep later ingetrokken met een verzoek tot proceskostenvergoeding. De rechtbank had eerder een proceskostenvergoeding vastgesteld op basis van een puntwaarde van €310,- in de bezwaarfase, maar opposante stelde dat dit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
De heffingsambtenaar heeft zich niet verzet tegen het standpunt van opposante in het verzet, waarop de rechtbank het verzet gegrond verklaarde. De rechtbank volgde het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en stelde de puntwaarde in de bezwaarfase vast op €624,-, waardoor de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten van €1.187,-, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de juiste puntwaarden, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het beperkte geschil. Tevens werd de wettelijke rente over dit bedrag toegewezen vanaf vier weken na de uitspraak tot volledige betaling.
De uitspraak werd gedaan door rechter T.L. Fernig - Rocour op 20 september 2024. Tegen het verzet is geen rechtsmiddel mogelijk, maar tegen het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van €1.187,- aan proceskosten plus wettelijke rente.