De rechtbank Amsterdam heeft op 26 september 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, beschuldigd van medeplegen van poging tot afpersing en oplichting. De officier van justitie had gevorderd tot bewezenverklaring van beide feiten en een gevangenisstraf met taakstraf. Verdachte werd beschuldigd van het bedreigen van aangeefster om geld terug te laten boeken en het misleiden van haar om telefoonabonnementen af te sluiten en pakketjes aan te nemen.
De verdediging voerde aan dat de bedreigingen niet bewezen konden worden en dat verdachte geen oplichtingsmiddelen had gebruikt. De rechtbank oordeelde dat hoewel verdachte bedreigingen heeft geuit om het geld terug te laten boeken, dit niet gericht was op afpersing omdat het geld juist terug op de rekening van aangeefster moest komen. Ook was er onvoldoende bewijs dat verdachte een samenweefsel van verdichtsels of andere oplichtingsmiddelen had gebruikt om aangeefster te misleiden.
De rechtbank nam mee dat aangeefster minderjarig was en op eigen initiatief het paspoort van haar meerderjarige zus gebruikte, en dat verdachte een valse naam gebruikte die haar handelen niet beïnvloedde. Er was geen bijzondere vertrouwensrelatie en aangeefster had zelf besloten mee te doen. Gezien deze omstandigheden sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen omdat niet was gebleken dat verdachte zich aan een nieuw strafbaar feit had schuldig gemaakt. De rechtbank gelastte teruggave van een in beslag genomen telefoon aan verdachte.