Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6508

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
24 oktober 2024
Zaaknummer
AMS 24/760
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wsf 2000Art. 3.27 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering studiefinanciering en oplegging ov-schuld wegens niet-ingeschreven student

Eiser had studiefinanciering aangevraagd voor het studiejaar 2023/2024 en ontving aanvankelijk een toekenning op basis van een vermeende inschrijving bij een opleiding. DUO controleerde later de inschrijving via het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) en stelde vast dat eiser niet ingeschreven stond voor de betreffende periode. Op grond hiervan besloot DUO om € 716,89 aan studiefinanciering terug te vorderen en een ov-schuld van € 325,62 op te leggen wegens het gebruik van een reisproduct zonder recht.

Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat hij wel degelijk ingeschreven stond en dat hij het reisproduct tijdig had stopgezet. De rechtbank oordeelde dat de gegevens in het ROD leidend zijn voor het recht op studiefinanciering en dat de inschrijving een zaak is tussen de student en de onderwijsinstelling. Het bewijs van inschrijving dat eiser overlegde, kon het ontbreken van een registratie in het ROD niet weerleggen.

Verder overwoog de rechtbank dat de ov-schuld geen boete is, maar een gefixeerd bedrag dat volgt uit de Wet studiefinanciering 2000. Omdat eiser niet stond ingeschreven, had hij geen recht op het reisproduct en mocht DUO de schuld opleggen. De rechtbank zag geen aanleiding tot matiging van de schuld en wees het beroep af.

De uitspraak bevestigt dat DUO bevoegd is om studiefinanciering terug te vorderen en ov-schulden op te leggen op basis van het ROD, en benadrukt dat eventuele geschillen over inschrijving tussen student en onderwijsinstelling moeten worden opgelost. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard; DUO mocht studiefinanciering terugvorderen en een ov-schuld opleggen wegens het ontbreken van inschrijving.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/760

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder (hierna ook: DUO)
(gemachtigde: mrs. T.C.A. Hofman en [gemachtigde 3] ).

Inleiding

1.1.
DUO heeft op 14 oktober 2023 besloten om € 716,89 aan studiefinanciering van eiser terug te vorderen. Op 10 november 2023 heeft DUO het besluit genomen om aan eiser een ov-schuld van € 325,62 op te leggen wegens het reizen met een reisproduct in de periode september en oktober 2023 waar hij volgens DUO geen recht op had.
1.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Met het bestreden besluit van 21 december 2023 heeft DUO het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft daar beroep tegen ingesteld. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank dat beroep.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2.1
De rechtbank moet beoordelen of DUO de studiefinanciering kon terugvorderen en de ov-schuld kon opleggen met de overweging dat eiser in de bewuste periode niet ingeschreven stond voor een opleiding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende. Op 27 augustus 2023 heeft eiser studiefinanciering aangevraagd. Aanvankelijk [1] heeft DUO aan eiser studiefinanciering toegewezen voor de periode tot en met december 2023 voor de (gestelde) inschrijving per 1 september 2023 voor de opleiding tot fysiotherapeut aan de Hogeschool van Amsterdam. Nadien heeft DUO de inschrijving gecontroleerd.
4. DUO stelt zich op het standpunt dat de gegevens die de opleiding doorgeeft leidend zijn. Elke opleiding geeft de inschrijvingen door aan Register Onderwijsdeelnemers (ROD). Volgens dit register heeft eiser zich niet ingeschreven voor het studiejaar 2023/2024. Een bewijs van inschrijving is niet leidend. DUO voegt hier aan toe dat de in -en uitschrijfregistratie een zaak is tussen eiser en de opleiding. DUO heeft hier geen invloed op. Daarnaast heeft eiser in september en oktober 2023 gebruik gemaakt van zijn studentenreisproduct terwijl hij daar geen recht op had. DUO heeft ook op de zitting nog toegelicht dat bij de aanvankelijke toewijzing wordt uitgegaan van de opgave door de student. Naderhand wordt in het ROD gecontroleerd of de student ook daadwerkelijk stond ingeschreven.
5.1.
Eiser voert aan dat hij wel degelijk stond ingeschreven, zoals blijkt uit het bewijs van inschrijving. Eiser heeft zich op 2 oktober 2023 uitgeschreven voor de opleiding. Hij is van mening dat hij dus tot dan recht had op studiefinanciering.
5.2.
De rechtbank overweegt dat bij de toekenning van het recht op studiefinanciering de gegevens in het ROD leidend zijn. Verweerder kijkt voor de beoordeling van het recht op studiefinanciering in dit register of sprake is van een inschrijving bij een onderwijsinstelling. Dat is niet het geval voor de periode hier in geschil. Daarom is de rechtbank van oordeel dat DUO er terecht van is uitgegaan dat eiser niet stond ingeschreven voor een opleiding. Het overlegde bewijs van inschrijving leidt niet tot een ander oordeel. De in- en uitschrijving als student is een zaak tussen de onderwijsinstelling en de student. [2] Eiser dient zich dus tot de Hogeschool van Amsterdam te wenden als hij het niet eens is met het ontbreken van enige inschrijving in het ROD. Omdat eiser in de bewuste periode niet stond ingeschreven als student, had hij dus ook geen recht op studiefinanciering. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Eiser voert daarnaast aan dat hij in de periode september en oktober 2023 het reisproduct gebruikt voor zijn opleiding. Hij heeft zijn reisproduct bijtijds stopgezet. Hij is daarom geen boete verschuldigd. Verder voert hij aan dat hij niet kon weten dat er een misverstand was over zijn inschrijving. Omdat sprake is van een boete moet DUO zorgvuldiger handelen. Subsidiair verzoekt eiser de boete te matigen, omdat het voor eiser een groot bedrag is.
6.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in deze stelling. De opgelegde OV-schuld vloeit voort uit het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hierin staat dwingend voorgeschreven dat de studerende per halve kalendermaand waarin hij gebruik heeft gemaakt van een niet tijdig stopgezet reisproduct, een gefixeerd bedrag verschuldigd is. Eiser heeft zijn reisproduct niet bijtijds stopgezet, omdat hij volgens het ROD nooit ingeschreven heeft gestaan voor een opleiding in de periode september en oktober 2023. En omdat hij niet stond ingeschreven voor een opleiding kon hij dus ook geen aanspraak maken op het reisrecht in die periode. DUO mocht dan ook – conform de gefixeerde bedragen – een schuld opleggen van € 325,62. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, zevende lid, van de Wsf 2000 waarbij door DUO kan worden afgezien van opleggen van een schuld indien sprake is van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. De stelling van eiser dat hij dat hij niet kon weten dat er een misverstand was over zijn inschrijving biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat de OV-schuld geen boete is. Het systeem rond het recht op het reisproduct en de stopzetting daarvan heeft geen punitief karakter. Kort gezegd komt dat systeem erop neer dat de Staat op basis van een met de OV-bedrijven gesloten overeenkomst voor alle reisrechten waarvan rechtmatig gebruik kan worden gemaakt een vergoeding verschuldigd is. Aan studenten die ten onrechte over het reisproduct beschikken, wordt, ter compensatie van wat de Staat niet aan de OV-bedrijven betaalt, op basis van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 achteraf een vast bedrag in rekening gebracht. Dat bedrag komt (in ieder geval bij benadering) overeen met de waarde van het reisrecht in het economisch verkeer. [4] Voor matiging ziet de rechtbank dus geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. DUO mocht van eiser € 716,89 aan teveel ontvangen studiefinanciering terugvorderen en aan eiser een ov-schuld van € 325,62 opleggen wegens het reizen met een reisproduct waar hij geen recht op had. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.op 28 augustus 2023.
2.De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 13 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0848.
3.Zie artikel 2.8, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 18 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3019.