ECLI:NL:RBAMS:2024:7274
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ontnemingsprocedure na betaling ontnemingsschikking
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 oktober 2024 de ontnemingsprocedure tegen de veroordeelde, waarbij het openbaar ministerie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van €227.848,- werd vastgesteld en betaald aan de staat. Tijdens de zitting gaf de officier van justitie aan dat een ontnemingsschikking was getroffen en dat de veroordeelde aan de voorwaarden daarvan had voldaan.
De rechtbank constateerde dat de schikking, zoals bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering, rechtsgeldig was en dat door betaling van de schikking de ontnemingsprocedure van rechtswege was geëindigd conform artikel 6:4:18 Sv Pro. De veroordeelde en zijn raadsman waren niet aanwezig bij de zitting, maar dit stond de vaststelling niet in de weg.
De rechtbank besloot daarom de ontnemingsprocedure te beëindigen en stelde vast dat de zaak van rechtswege was geëindigd. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, onder voorzitterschap van E.M.M. Gabel en met medewerking van rechters E.G.M.M. van Gessel en G. Demmink.
Uitkomst: De ontnemingsprocedure is van rechtswege geëindigd door betaling van de ontnemingsschikking.